O

 

 

Ώ

Ohm.

 

O-RING

Is gemaakt van synthetisch rubber. Hij heet zo omdat hij bijna altijd een ronde binnenvorm heeft. Ze zijn, afhankelijk van het materiaal, uitstekend bestand tegen olie, vet en koelvloeistof.

 

OBD

OBD = on-board diagnostics. Aan boord van de auto gemonteerd systeem, dat storingen in aangesloten componenten in de vorm van een foutcodes vastlegt.

 

OBSERVED RON

RON betekent: Road Octane Number. Er gelden voor de bepaling van de klopvastheid van benzine drie tests, die elk op een eigen wijze de kwaliteit van een benzine bepalen. De minst gangbare versie is het Observed Road Octane Number.

 

OCTAAN

Normbrandstof met een octaangetal van exact 100. Wordt gebruikt bij het bepalen van het octaangetal van een benzine.

 

OCTAANGETAL

Norm voor de klopvastheid van benzine. Norm is de klopvastheid van octaan. Aan de hand daarvan wordt het octaangetal van de in de CFR-proefmotor geteste benzine vastgesteld.

 

OCTROOI

Geeft aan een persoon of een bedrijf exclusief het recht tot exploitatie van een uitvinding of verkoop van een product.

 

OCULOGRAFIE

Methode om te meten in hoeverre een bestuurder tijdens het rijden oog heeft voor zijn dashboardmeters en andere informatiebronnen.

ODP

Onderste dode punt.

 

OFF-SET

Uit het midden geplaatst, niet geheel met elkaar ‘in lijn’ liggend.

 

OHC-MOTOR

OHC = overhead camshaft. Een OHC-motor heeft  dus slechts één bovenliggende nokkenas.

 

OHM

Ohm (Ω)  is de SI-eenheid van elektrische weerstand.

 

OHMMETER

Meet de elektrische weerstand van een weerstandselement in ohm.

 

OHV-MOTOR

OHV = overhead valves. Een OHV-motor is dus neen kopklepmotor.

 

OLIE

Verzamelnaam voor allerlei vloeibare smeermiddelen. Motorolie smeert de motor. Versnellingsbakolie smeert de versnellingsbak. Differentieelolie smeert het differentieel.

 

OLIE-AFDICHTRING

Op enkele plaatsen steken draaiende assen uit componenten, waarin zich olie bevindt. Afdichtringen verhinderen, dat olie daarlangs naar buiten lekt.

 

OLIE-AFTAPPLUG

Aftapplug.

 

OLIE-ANALYSE

Hierbij wordt gebruikte motorolie in een laboratorium onderzocht. Dat is nodig om de technische conditie van die olie en de betreffende motor te kunnen inschatten. Wordt in de bedrijfswagenwereld veel toegepast.

 

OLIEBADLUCHTFILTER

Nat luchtfilter.

 

OLIECARTER

Deksel onderaan het carter van de motor. Daar ligt de motorolie, die op dat moment niet ‘onderweg’ is, opgeslagen. Aan de onderkant is een olie-aftapplug aangebracht.

 

OLIEDAMP

Bij een warme motor vormt zich boven de voorraad vloeibare olie in het oliecarter oliedamp. Deze damp wordt – indien door blaasgassen onder druk gebracht – door de carterventilatie afgevoerd.

 

OLIEDRUK

Druk van de olie, als die door de oliepomp in de motor wordt rondgepompt. Deze druk is nodig om een oliefilm op te bouwen op plaatsen, waar bewegende onderdelen in contact komen met niet-bewegende onderdelen zoals in glijlagers.

 

OLIEDRUKCONTROLELICHT

Dashboardinstrument, dat  – in tegenstelling tot een oliedrukmeter –  in principe alleen maar aangeeft wanneer de oliedruk van de motor is weggevallen.

 

OLIEDRUKMETER

Dashboardinstrument, dat oliedruk van de motor aangeeft. In tegenstelling tot een controlelicht waarschuwt een meter wel voor een naderend defect.

 

OLIEFILM

Zeer dun laagje olie tussen twee ten opzichte van elkaar bewegende componenten, bedoeld om wrijving plus de daaruit voortkomende slijtage tegen te gaan.

 

OLIEFILTER

Deel van het smeersysteem. Het oliefilter filtreert uit de oliekringloop koolaanslag, roet, lak en metaaldeeltjes. Het moet periodiek samen met de olie worden ververst.

 

OLIEFILTERSLEUTEL

Stuk gereedschap waarmee een oliefilter kan worden gedemonteerd. Deze kan bestaan uit een soort steeksleutel met aan het uiteinde in plaats van een bek een spanketting.

 

OLIEKANAAL

Olieleiding.

 

OLIEKEERRING

Op enkele plaatsen steken draaiende assen uit componenten, waarin zich olie bevindt. Oliekeerringen verhinderen, dat olie daarlangs naar buiten lekt.

 

OLIEKOELER

Een aparte, in de rijwind geplaatste oliekoeler kan de olietemperatuur beperken.

 

OLIELEIDING

De oliekringloop in de motor loopt via oliekanalen  en soms ook externe olieleidingen naar alle plekken in de motor waar smering nodig is. Vandaaruit valt de olie drukloos terug in het oliecarter.

 

OLIELIKKER

Uitsteeksel aan de onderkant van de wang van de krukas of onderaan de drijfstang. Bij iedere krukasomwenteling slaat deze door de olievoorraad in het oliecarter heen. Op die manier wordt spatsmering gegenereerd.

 

OLIENEVEL

Oliedamp.

 

OLIENIVEAU

Niveau van de olievoorraad, die zich in het oliecarter bevindt.

 

OLIENIVEAUCONTROLELICHT

Dashboardindicator, waarmee de bestuurder kan controleren of het olieniveau in het motorcarter niet te laag is.

 

OLIE-OVERDRUKKLEP

Een full-flow-oliefilter heeft een veiligheidsvoorziening in de vorm van een bypass met een overdrukklep. Deze treedt in werking, als het oliefilter door verontreinigingen verstopt raakt.

 

OLIEPAN

Oliecarter.

 

OLIEPEIL

Olieniveau.

 

OLIEPEILCONTROLELICHT

Olieniveaucontrolelicht.

 

OLIEPEILSTOK

Met behulp van een peilstok kan het olieniveau in de motor worden gepeild. Het verschil tussen ‘minimum’ en ‘maximum’ is 0,5-1,5 liter.

 

OLIEPOMP

Pomp die de olie in het smeersysteem rondpompt. De oliepomp wordt via de krukas aangedreven. Hij is voorzien van een overdrukklep om de oliedruk niet te hoog op te laten lopen.

 

OLIERAFFINADERIJ

In een olieraffinaderij wordt aardolie geraffineerd. Aardolie ondergaat dan vóór de destillatie een groot aantal natuurkundige en/of chemische verwerkingsprocessen.

 

OLIERESERVOIR

Bij een motor met dry-sump-smering is het oliereservoir de plek, waar de op dat moment niet in bedrijf zijnde motorolie wordt opgeslagen en daar enigszins kan afkoelen.

 

OLIESCHRAAPVEER

Zuigerveer die tijdens de neerwaartse slagen (inlaatslag en arbeidsslag) een deel van de olie van de cilinderwand afschraapt, zodat die in het oliecarter terugvalt.

 

OLIESPUIT

Iedere auto kan op een groot aantal plaatsen zo nu en dan best een beetje olie gebruiken. Daarvoor wordt een oliespuit gebruikt.

 

OLIETANK

Oliereservoir.

 

OLIETEMPERATUUR

De olietemperatuur bij een warme motor bedraagt normaalgesproken 90-120 graden Celsius, maar kan tot wel 150 graden Celsius oplopen – veel meer dan koelvloeistof dus. Daarom heeft motorolie behalve een smerende ook een koelende taak.

 

OLIETEMPERATUURMETER

Weinig gebruikt dashboardinstrument dat de temperatuur van de in de motor aanwezige olie aangeeft. De bedrijfstemperatuur van motorolie is 90-120 graden Celsius.

 

OLIEVERBRUIK

Iedere motor verbruikt olie. Een verbruik van 1 liter olie per 2.500-3.000 kilometer is normaal. Bij meer verbruik dan 1 liter per  1000 km  gaat het meestal niet meer om gewone slijtage maar om een defect.

 

OLIEVERDUNNING

De olie in het oliecarter kan bij langdurig stationair draaien en veel koude starts worden ‘verdund’ met condens en/of benzine. Dat komt doordat die motor kennelijk nooit de kans krijgt om goed op bedrijfstemperatuur te komen.

 

OLIEVERVERSINGSTERMIJN

Olie moet volgens fabrieksopgave om een gegeven aantal kilometers worden ververst. In verband met veroudering van de olie is minimaal eenmaal per jaar verversen aan te raden.

 

OLIEZEEF

Grof oliefilter van gaas. Deze is nog vóór de oliepomp (dus in het aanzuiggedeelte) aan het begin van de oliekringloop geplaatst.

 

OMGEVINGSLUCHT

De inlaatlucht waarmee binnen in de motor het brandstof-luchtmengsel wordt gevormd, bestaat uit omgevingslucht.

 

OMGEVINGSTEMPERATUUR

Als de omgevingstemperatuur afneemt, doet de inlaatluchttemperatuur dat ook. Voordeel: dan past er meer inlaatlucht in de verbrandingsruimtes.

 

OMKEERAS

As met omkeertandwiel, waarmee de draairichting van het tandwielstelsel wordt omgedraaid.

 

OMKEERTANDWIEL

Is binnen een tandwielstelsel een extra tandwiel, dat alleen is bedoeld om de draairichting van de ‘tandwieltrein’ om te draaien.

 

OMLOOPLEIDING

Parallelleiding.

 

OMLOOPLUCHT

Lucht, die via een by-pass wordt omgeleid.

 

OMLOOPLUCHTREGELKLEP

Zorgt parallel aan de gasklep voor een fijnafregeling van de toevoer van de inlaatlucht tijdens stationair draaien. Hij wordt elektromagnetisch aangestuurd.

 

OMLOOPLUCHTREGELSYSTEEM

Werkt parallel aan het luchtinlaatsysteem. De geïntegreerde bypass-luchtregelklep speelt een belangrijke rol bij de vorming van het brandstof-luchtmengsel.

 

OMLOOPVERWARMING

Hierbij wordt de lucht niet van buiten, maar vanuit het interieur door de radiateur geleid. Zo komt de interieurlucht sneller op temperatuur en kunnen er geen ‘vuile’ gassen van buitenaf binnendringen.

 

OMWENTELING

Draai van 360 graden.

 

OMWENTELINGSSNELHEID

Snelheid waarmee iets (een as of een wiel) om zijn eigen as draait.

 

ONAFGEVEERDE MASSA

Beslaat alle onderdelen ‘tussen’ het wegdek en de onderkant van de veerelementen. Deze hebben geen profijt van de vering, als de auto over een hobbel rijdt.

 

ONAFHANKELIJK

Niet onder invloed van iets anders.

 

ONAFHANKELIJKE WIELOPHANGING

Hierbij kan ieder wiel van een rijdende auto in- en uitveren zonder één van de andere wielen te beïnvloeden.

 

ONBALANS

De auto is in onbalans, als er in bochten ongewenst overstuur of onderstuur optreedt.  Ook kunnen één of meerdere wielen van een auto in onbalans zijn. Het wiel zal dan trillingen doorgeven aan de auto.

 

ON-BOARD

In, op of aan de auto gemonteerd.

 

ONCTUOSITEIT

Letterlijk: zalfachtigheid. In de autotechniek is dit het vermogen van olie om op de cilinderwand een goed hechtende oliefilm te vormen, vooral op de plaatsen waar de zuiger in BDP en ODP ‘omkeert’.

 

ONDERBREKERPUNTEN

De onderbrekerpunten in de stroomverdeler vormen een soort schakelaar. Zolang deze gesloten zijn, wordt in de bobine een magnetisch veld opgebouwd. Als ze open gaan, wordt de primaire stroom onderbroken en ontstaat er  in de bobine hoogspanning.

 

ONDERCARTER

Oliecarter.

 

ONDERDEEL

Elk van de delen, die tesamen één component vormen. Zo is een filterelement een onderdeel van een filter. Dat filter is dan de component.

 

ONDERDRUK

Alle druk lager dan de buitenluchtdruk geldt als onderdruk. Alles daarboven is dus overdruk. De buitenluchtdruk bedraagt (op zeeniveau) circa 1000 millibar.

 

ONDERHOUDSBEURT

Periodiek onderhoud aan een auto wordt in het algemeen onderverdeeld in afwisselend onderhoudsbeurten en controlebeurten. Exacte specificaties en onderhoudsintervallen staan vermeld in het service- en garantieboekje.

 

ONDERHOUDSINTERVAL

De door de fabriek voorgeschreven periode tussen twee opeenvolgende onderhoudsbeurten of controlebeurten. Onderhoudsintervallen staan vermeld in het bij de auto behorende service- en garantieboekje.

 

ONDERHOUDSVRIJ

De term ‘onderhoudsvrij’ suggereert ten onrechte, dat onderhoud achterwege kan blijven. Preventief onderhoud (in de vorm van controle) blijft aanbevolen.

 

ONDERLIGGENDE NOKKENAS

Vroeger hadden motoren een onderliggende nokkenas. Deze bevond zich naast de krukas in het motorblok. De overbrenging naar de in de cilinderkop aangebrachte kleppen verliep via op-en-neer-gaande en dus toerentalbeperkende stoterstangen.

 

ONDERSTE DODE PUNT

Laagste punt, dat de omlaaggaande zuiger in de cilinder bereikt voor hij weer omhoog gaat. De zuiger beweegt zich in de cilinder tussen BDP en ODP. Dit is de slag.

 

ONDERSTEL

Vroeger bestond het onderstel van een personenauto ongeveer uit de gehele auto met uitzondering van de aandrijflijn en de carrosserie. Tegenwoordig hebben personenauto’s hebben een zelfdragende carrosserie zonder een echt chassis.

 

ONDERSTUUR

Bij onderstuur is in een bocht de sliphoek van de voorwielen groter dan die van de achterwielen. De voorkant van de auto zoekt dus de buitenkant van de bocht op.

 

ONDERVIERKANTE MOTOR

Langeslagmotor.

 

ONEINDIGE ENERGIEBRON

Oneindige energiebronnen (zoals de zon en de wind) raken nooit op. Wel zijn er grote inspanningen en investeringen nodig om deze rendabel te maken.

 

ONGEAARD

Niet aan massa liggend.

 

ONGEDIMD GROOT LICHT

Groot licht is in het algemeen: licht dat afkomstig is uit de koplampen. Er zijn twee ‘soorten ‘groot licht’: ongedimd groot licht en gedimd groot licht.

 

ONGELEGEERD STAAL

Smeedbare ijzer-koolstoflegering zonder andere elementen dan ijzer en koolstof.

 

ONGEREGELDE KATALYSATOR

Katalysator zonder lambda-sensor. Reiniging van uitlaatgassen bij een benzinemotor zonder  brandstofinspuiting is alleen mogelijk met een ongeregelde katalysator.

 

ONGEREMDE AANHANGWAGEN

Een ongeremde aanhangwagen heeft geen  ‘eigen’ remsysteem. Hierbij moet het getrokken gewicht minder zijn dan 750 kilogram of minder dan de helft van het gewicht van het trekkende voertuig.

 

ONGEVALLENREGISTRATIE-APPARAAT

Een ongevallenregistratie-apparaat registreert langs elektronische weg gegevens van de ongevallen, waarin het betreffende voertuig wordt betrokken.

 

ONTBRANDING

Een ontbranding is het begin van een verbranding.

 

ONTBRANDINGSTEMPERATUUR

Tenperatuur waarbij een stof spontaan tot ontbranding overgaat.

 

ONTDOOI-INRICHTING

Deel van het verwarmings- en ventilatiesysteem. Door warme lucht langs de binnenkant van de bevroren of beslagen voor- of achterruit te voeren kan deze worden ontdooid of ontwasemd.

 

ONTKOPPELEN

Als de bestuurder het koppelingspedaal intrapt, wordt de motor losgekoppeld van de aangedreven wielen. Dan wordt de auto dus niet meer aangedreven.

 

ONTLAADSTROOM

Elektrische stroom, die vanaf de accu naar de elektrische afnemers stroomt. Deze ontlaadstroom is maximaal tijdens de start.

 

ONTLUCHTING [1]

Verwijdering van lucht uit de brandstoftank. Bij het vullen van de brandstoftank moet de daarin aanwezige damp plaats maken voor vloeistof. Die tank moet dus een ontluchtmogelijkheid hebben.

 

ONTLUCHTING [2]

Verwijdering van lucht het remsysteem. Lucht is samendrukbaar, vloeistof niet. Daarom mag er geen lucht in een hydraulisch remsysteem aanwezig zijn. Ontluchting is mogelijk via nippels aan de wielremmen.

 

ONTSTEKING

‘Ontsteking van een vonk’ is hetzelfde als ‘ontbranding als gevolg van een vonk’. Tussen de elektroden van een bougie vindt een ontbranding plaats. Daardoor wordt het brandstof-luchtmengsel in de verbrandingsruimte ontstoken. Bij elektronische ontsteking zijn de contactpunten vervangen door een stilstaande spoel plus een ronddraaiende schijf met net zoveel punten als er cilinders zijn.

 

ONTSTEKINGSGEWILLIGHEID

Dieselbrandstof heeft een hoge ontstekingsgewilligheid, omdat het brandstof-luchtmengsel in een dieselmotor (bij een bepaalde druk en temperatuur) spontaan ontbrandt.

 

ONTSTEKINGSSPANNING

Elektrische spanning tijdensde ontsteking. Deze wordt tijdens het starten tijdelijk verhoogd om het aanslaan van de motor te versnellen.

 

ONTSTEKINGSSYSTEEM

Ontsteking.

 

ONTSTEKINGSTIJDSTIP

Het exacte moment, waarop de vonk aan de elektroden van de bougie overspringt. Daardoor wordt het brandstof-luchtmengsel tot ontsteking gebracht.

 

ONTSTEKINGSVERTRAGING

Bij dieselmotoren: periode tussen het inspuitmoment van de brandstof en het begin van de verbranding van het brandstof-luchtmengsel. Hoe beter de brandstofkwaliteit, des te korter de ontstekingsvertraging.

 

ONTSTEKINGSVERVROEGING

Hierbij wordt het brandstof-mengsel al vóór het BDP ontstoken. Dan is de verbranding al afgelopen op het moment dat de zuiger in of iets na BDP staat. Zo is het effect ervan op de ronddraaiende krukas het grootst.

 

ONTSTEKINGSVOLGORDE

Volgorde van ontbranding. Bij een lijnmotor met vier cilinders is dat volgens de gebruikelijke cilindernummering 1-3-4-2 of  in sommige gevallen (Ford Valencia motor) 1-2-4-3.

 

ONTSTEKINGSVONK

Vonk, die de ontsteking van het brandstof-luchtmengsel inluidt.

 

ONTWASEMING

Wasem is zichtbare damp, of anders de zichtbare neerslag van damp. Ontwaseming van ruiten is mogelijk door deze te verwarmen.

 

ONTWERP

Het ontwerp van een nieuw model geschiedt tegenwoordig al lang niet meer op de tekentafel, maar met behulp van CAD/CAM, CFD en de windtunnel.

 

ONVERBRANDE KOOLWATERSTOFVERBINDINGEN

Brandstof verbrandt nooit helemaal. Er blijft dus altijd een zekere hoeveelheid onverbrande koolwaterstofverbindingen in de uitlaatgassen achter. Deze vormen een bedreiging voor het milieu.

 

OOG

Korte lus aan het uiteinde van een kabel of stang. Door dat oog kan ter bevestiging van een ander onderdeel een stalen pen of andere kabel worden gestoken.

 

OOGBOUT

Bout waarop bovenop de boutkop een stalen oog is aangebracht.Door dat kan ter bevestiging van een ander onderdeel een stalen pen of andere kabel worden gestoken.

 

OP DE MOTOR REMMEN

Als het gaspedaal wordt losgelaten, blijft de aandrijflijn intact maar wordt de aandrijfrichting omgedraaid: de wielen drijven nu de motor aan en houden hem als het ware tegen. Dit heet ‘op de motor remmen’.

 

OPBLAZEN

‘De motor opblazen’ is autosport-jargon en wil zeggen: de motor kapot rijden, meestal als gevolg van overtoeren.

 

OPEN CARTERVENTILATIE

Vroeger werd bij een open carterventilatie de oliedamp gewoon via een open pijpleiding naar de buitenlucht afgevoerd. Dit systeem is al geruime tijd om voor de hand liggende milieutechnische redenen verboden.

 

OPEN KOELSYSTEEM

Bij een open koelsysteem staat de koelvloeistof in verbinding met de buitenlucht. Daardoor blijft het kookpunt van koelvloeistof gewoon 100 graden Celsius (net als dat van water). Dat beperkt de koelcapaciteit.

 

OPEN MOERSLEUTEL

Hiermee kan een bout of moer slechts op twee hoekpunten worden omklemd. Daarom zijn open moersleutels voor het los en vast draaien van bouten en moeren minder geschikt dan ringsleutels.

 

OPERATIONELE VERSTERKER

Multivibrator met één ingang en één uitgang. Deze elektronische component wordt gebruikt bij veiligheids- en comfortsystemen.

 

OPHANGING

Wielophanging.

 

OPLADING

Drukvulling.

 

OPLEGGER

Getrokken gedeelte van een opleggercombinatie. Een oplegger heeft alleen aan de achterkant wielen en rust met de voorkant op de schotel aan de achterkant van de trekker.

 

OPLEGGERCOMBINATIE

Trekker met oplegger. Een opleggercombinatie is een geleed voertuig.

 

OPLOOPREM

Verplicht bij aanhangwagens zwaarder dan 750 kilogram. Wordt mechanisch geactiveerd, zodra de dissel van de aanhangwagen tegen de trekhaak van de trekkende (en remmende) auto ‘oploopt’.

 

OPLOSMIDDEL

Vloeistof, die in staat is om het in de lak aanwezige bindmiddel op te lossen. Zo kunnen de beide componenten van die lak worden ‘losgemaakt’.

 

OPLOSSING

Vloeistof, waarin een vaste stof (of een andere vloeistof of een gas) is opgelost tot een homogeen mengsel van verschillende stoffen.

 

OPPERVLAKTE

SI-eenheid van oppervlakte: vierkante meter.

 

OPPERVLAKTECORROSIE

Komt voor aan de oppervlakte van plaatwerk en andere metalen delen. Als de oppervlaktecorrosie zich nog in het beginstadium bevindt, kan het vaak nog worden verholpen door het oppervlak goed te schuren.

 

OPPERVLAKTESPANNING

Spanning aan het oppervlak van vloeistoffen, waardoor de bovenste laag moleculen de eigenschappen van een vliesje krijgt.

SI-eenheid van oppervlaktespanning: newton/meter.

 

OPPOSITE LOCK

Volledig tegenstuur.

 

OPRIJWAGEN

Bergingsvoertuig met een platte opbouw en oprijplaten. De te bergen auto kan dan met een lier op de bergingsauto worden getrokken.

 

OPTICAL TUNING

Uiterlijke verfraaiing van een auto, met delen die normaal op ‘snelle’ auto’s zitten, waardoor de auto sneller lijkt dan hij in werkelijkheid is.

Optisch ‘tunen’

 

OPWAARTSE KRACHT

Omhoog gerichte kracht, die bij een snel rijdende auto ongewild kan worden opgewekt door de onder de auto door stromende rijwind. Hierdoor wordt de auto ‘licht’ en maken de wielen minder contact met het wegdek.

 

OPWARMFASE

Periode direct na de koude start, die duurt totdat de motor op bedrijfstemperatuur is. De opwarmfase duurt 10-20 minuten, totdat de koelvloeistof en vooral de olie op bedrijfstemperatuur zijn gekomen.

 

ORGANISCHE STOFFEN

Zijn opgebouwd uit koolwaterstofverbindingen. Daartoe behoren alle van aardolie gemaakte producten, zoals benzine, LPG en olie.

 

ORIGINEEL

Originele onderdelen zijn onderdelen, die de betreffende autofabriek heeft gemaakt of heeft laten maken.

 

OSCILLOSCOOP

Niet-registrerend instrument voor het zichtbaar maken van stroom- en spanningsfluctuaties op een kathodestraalbuis.

 

OTTOMOTOR

‘Slechts’ een verbetering van de toen al bestaande vierslagmotor. Het verschil met een originele vierslagmotor is, dat bij de ottomotor de ‘loze’ derde slag is omgevormd tot een compressieslag.

 

OUT-SET

Positieve inpersdiepte van een velg. De wielschijf bevindt zich dan aan de buitenkant van het ‘midden’ (de hartlijn) van de velg.

 

OVERBELADING

Er is sprake van overbelading, als een auto zwaarder wordt beladen dan wettelijk of volgens de fabrieksgegevens is toegestaan.

 

OVERBRENGING

Middel om een beweging of kracht over te brengen.

 

OVERBRENGINGSVERHOUDING

Verhouding tussen het toerental van de (aandrijvende) ingaande as en het toerental van de (aangedreven) uitgaande as. Bij auto’s heeft dit te maken met de versnellingsbak en/of de eindoverbrenging.

 

OVERBRUGGINGSKOPPELING

Koppelt bij een koppelomvormer onder bepaalde omstandigheden het pompwiel aan het turbinewiel. Daardoor kan er geen ongewenste slip ontstaan.

 

OVERDAGVERLICHTING

Systeem, dat de verlichting van de auto automatisch aandoet bij het starten van de auto, en afzet als de motor wordt afgezet. Dient om extra de aandacht te trekken en daardoor het verkeer veiliger te maken.

 

OVERDRACHTSBEREIK

Is bij een radio of cassetteband het bereik, dat van de laagste tot de hoogst voorkomende frequentie binnen vastgelegde toleranties gelijkmatig kan worden weergegeven.

 

OVERDRIVE

Hoogste versnelling van een versnellingsbak, waarbij de uitgaande as een hoger toerental dan de ingaande as. In plaats van een verlaging van het astoerental (vertraging) is er hier dus sprake van een verhoging (versnelling).

 

OVERDRUK

Luchtdruk ‘bovenop’ de buitenluchtdruk. Bij de vaststelling van overdruk en onderdruk geldt altijd de buitenluchtdruk als uitgangspunt. Drukmeters meten uitsluitend de overdruk.

 

OVERDRUKDOP

Drukdop.

 

OVERDRUKKLEP [1]

In een full-flow-oliefilter is een veiligheidsvoorziening ingebouwd in de vorm van een bypass met een overdrukklep. Bij verstopping van het oliefilter kan de olie dan toch nog – hoewel ongefilterd – passeren.

 

OVERDRUKKLEP [2]

Een oliepomp heeft een overdrukklep, die opengaat als de oliepomp een druk van meer dan 6 bar genereert. Dat kan gebeuren tijdens een koude start met veel toeren of bij erg hoge motortoerentallen.

 

OVERDRUKVENTIEL

Bewaakt de druk in het inlaatsysteem bij een motor met uitlaatgasturbo. Als de druk te hoog oploopt, gaat het overdrukventiel open om een deel van de inlaatlucht af te blazen in de atmosfeer.

 

OVERMAATZUIGER

Zuiger met een iets grotere diameter dan de originele zuiger. Cilinders kunnen, in geval van overmatige ovale slijtage, tot een iets grotere boring worden uitgeboord. Dan moeten overmaatzuigers worden gemonteerd.

 

OVERRUN

Verschil tussen het maximaal toelaatbare toerental van de motor en het toerental waarbij het maximale motor vermogen wordt geleverd.

 

OVERSCHRIJVINGSBEWIJS

Deel van het kentekenbewijs, dat alleen van belang is bij verkoop van de betreffende auto.

 

OVERSTUUR

Bij overstuur is in bocht de sliphoek van de achterwielen groter dan die van de voorwielen. De achterkant van een oversturende auto breekt dan uit en zoekt als het ware de buitenkant van de bocht op.

 

OVERTOEREN

Toerental hoger dan het maximaal toegestane toerental. Bij een moderne motor en wordt het motortoerental automatisch begrensd. Dit gebeurt door middel van een toerentalbegrenzer. Dit voorkomt mogelijke motorschade als gevolg van overtoeren.

 

OVERVERHITTING [1]

Een katalysator kan bij oververhitting van binnen smelten, als er gedurende enige tijd erg veel onverbrande benzine in terecht komt. Deze benzine moet daar dus worden naverbrand.

 

OVERVERHITTING [2]

Oververhitting van de motor is mogelijk als gevolg van een defect aan het koelsysteem of als hij te zwaar wordt belast.

 

OVERVIERKANTE MOTOR

Korteslagmotor.

 

OVERZETDEEL

Soms moeten beschadigde of doorgeroeste plaatdelen van de carrosserie worden vervangen. Dan kan het goedkoper zijn om in plaats van een heel paneel een speciaal gemaakt overzetdeel te gebruiken. Deze worden door aparte fabrikanten specifiek voor auto’s met een roestkwaal gemaakt.

 

OXIDATIE

Treedt op als bepaalde stoffen zich verbinden met zuurstof uit de lucht. Bij vloeistoffen kan daardoor lakvorming optreden, in geval van ijzer is dat dan roest.

 

OXIDATIEKATALYSATOR

Is geschikt voor motor en met een carburateur. Er is slechts één keramisch element. Daarmee kunnen alleen oxiderende reacties worden uitgevoerd. Het is een ongeregelde katalysator.

 

OXIDATIESTABILITEIT

Mate van bestendigheid tegen oxidatie van koelvloeistof, brandstof en olie.

 

OZONLAAG

Rondom de aarde bevindt zich een ozonlaag. Deze beschermt de aarde tegen al te sterke zonnestraling. De aanwezigheid van CFK’s wordt als één van de redenen gezien van de geleidelijke afbraak van die ozonlaag.