K

 

 

K

Kelvin.

 

KABEL

Bij auto’s: elektrische geleidingsdraad waarvan de metalen kern door een mantel is geïsoleerd.

 

KABELBOOM

Verzameling kabels, die zijn samengebonden tot een ‘boom’. Deze is de aorta van de elektrische installatie van een auto.

 

KABELSCHOEN

Een kabelschoen die op het uiteinde van een kabel is vastgeklemd, vormt het verbindingselement tussen die kabel en een stekkeraansluiting.

 

KABELSCHOENTANG

Met deze tang kan een kabelschoen aan het uiteinde van een kabel worden geklemd.

 

KACHEL

Zorgt met de ventilator voor de verwarming in het interieur van de auto. Het systeem maakt het mogelijk om buitenlucht via een regelklep en een aparte verwarmingsradiateur naar het interieur te leiden.

 

KACHELKRAAN

Regelt vanuit het verwarmings- en ventilatiesysteem de hoeveelheid warm koelmiddel, die naar de kachelradiateur wordt gestuurd om de gewenste interieurtemperatuur te bewerkstelligen.

 

KACHELRADIATEUR

Het verwarmings- en ventilatiesysteem maakt het mogelijk om buitenlucht door middel van een regelklep gedoseerd via een aparte kachelradiateur naar het interieur van de auto te leiden.

 

KALK

De aanwezigheid van kalk (uit kalksteen) maakt water ‘hard’. Kalk scheidt zich daaruit af en slaat neer in leidingen wanneer dat water wordt verwarmd.

 

KANAAL

Holle buis met een stijve of een buigzame constructie, meestal een ronde dwarsdoorsnede en gemaakt van rubber, kunststof of metaal. Bedoeld voor de doervoer van vloeistoffen en gassen.

 

KANTELCABINE

Frontstuurcabines van zware bedrijfswagens zijn vaak uitgevoerd als kantelcabine. Op die manier is de onderliggende motor gemakkelijk toegankelijk. Zo’n lcabine functioneert dus eigenlijk tegelijk als motorkap.

 

KANTELDAK

Dak dat aan de voorkant scharnierbaar is en dus aan de achterkant kan worden geopend. Een kanteldak is gemaakt van getint veiligheidsglas. Soms is het geheel uitneembaar.

 

KARKAS

Geraamte. Evenwijdig naast elkaar liggende, in rubber ingekapselde koorden, die bij een band van hiel tot hiel lopen. Daaroverheen is het loopvlak aangebracht.

 

KATALYSATOR

Ontbindt in het uitlaatsysteem door middel van een chemisch proces een groot deel van de schadelijke bestanddelen in de uitlaatgassen en zet deze om in voor het milieu onschadelijke bestanddelen.

 

KATHODE

Elektrode die zich aan de negatieve pool bevindt. Vanuit de kathode treedt een elektrische stroom in een vloeistof, die daardoor elektrolytisch wordt opgesplitst. Zo wordt in die ruimte elektrische spanning opgewekt.

 

KATHODEDOMPELBAD

Dompelbad waarbij in een autofabriek een carrosserie negatief wordt geladen.

 

KEERRING

Soms steken draaiende assen uit componenten, waarin zich olie bevindt. Afdichtringen verhinderen, dat olie daarlangs naar buiten lekt.

 

KEGELLAGER

Heeft geen kogels maar een rij schuin toelopende lagerrollen. Wiellagers kunnen conisch zijn, met per wiel meestal twee kegellagers. Daarvan zit de grootste aan de binnenkant van de astap.

 

KEGELVORMIG TANDWIEL

Een set van twee conische tandwielen maakt een haakse overbrenging mogelijk, eventueel inclusief vertragende of versnellende overbrengingsverhouding.

 

KELVIN

Kelvin (K) is de SI-eenheid van temperatuur.

 

KENTEKENBEWIJS

Identificatiebewijs van een auto. Bewijst, dat de daarop genoemde

persoon eigenaar is van de auto en dient als overschrijvingsbewijs.

 

KERAMIEK

Wordt bij temperaturen van 1.000+ graden Celsius gemaakt van een niet-metallisch poeder. De hardheid en hittebestendigheid maakt keramiek onder anderen geschikt voor de fabricage van delen van uitlaatgasturbo’s, uitlaatkleppen en remschijven.

 

KERAMISCHE KATALYSATOR

Katalysator met keramische drager.

 

KEROSINE

Fossiele brandstof, die door raffinage uit aardolie wordt uitgesplitst en gebruikt als brandstof voor vliegtuigen, lampen en verwarmingsinstallaties.

 

KETELSTEEN

Steenachtige korst, die zich tegen de binnenwand van een koelsysteem

afzet. Het ontstaat bij gebruik van kalkhoudend water als koelvloeistof. Belemmert de doorstroming en daarmee een goede motorkoeling.

 

KEURINGSBEWIJS

Bewijs dat een auto bij de APK is goedgekeurd. Na het uitvoeren van de APK ontvangt de eigenaar dit formulier als bewijs van goedkeuring.

 

KEURINGSRAPPORT

Bewijs, dat een auto bij de APK is goed- of afgekeurd. Na het uitvoeren van de APK ontvangt de eigenaar dit formulier als bewijs. Bij afkeuring wordt tevens de reden daarvan vermeld.

 

KEURMEESTER

De APK wordt uitgevoerd door een gediplomeerde keurmeester, die veelal werknemer is bij het garagebedrijf waar de keuring plaatsvindt. De Rijksdienst voor het Wegverkeer controleert de keurmeesters met steekproefkeuringen.

 

KEUZEHENDEL

Schakelpook van de automatische transmissie. Hiermee kan worden gekozen uit de standen Parking, Reverse, Neutral, Drive, 2e en 3e versnelling en Low. Soms is er een aparte  schakelaar voor de overdrive en/of een rijfunctiekeuzeschakelaar.

 

KEVLAR

Aramidevezel.

 

KEY LOCK

Beveiligingssysteem bij auto’s met een automatische transmissie, waarbij de conctactsleutel pas uit het contactslot kan worden verwijderd als de keuzehendel in de stand P staat.

 

KEYLESS ENTRY

De mogelijkheid om een auto te openen door gebruik te maken van een sleutel of afstandsbediening. De vervangende ‘sleutel’ (meestal een kaartjes) bevindt zich in een zewnder, die door de auto wordt herkend. De auto wordt ontgrendeld, als de bestuurder een portier wil openen.

 

KICK-DOWN

Als de bestuurder het gaspedaal ineens geheel intrapt, schakelt de automatische transmissie terug om de trekkracht te verhogen. Pas nadat de auto tot aan het maximumtoerental is geaccelereerd, wordt weer opgeschakeld.

 

KICK-BACK

Terugslag van het stuurwiel als de auto over een hobbel heen rijdt.

 

KIEPAUTO

Bedrijfswagen met open laadbak. Deze kan over één maar soms ook drie zijden worden omgekiept. Ook aanhangwagens en opleggers kunnen met een dergelijke kiepinrichting zijn uitgerust.

 

KIKKER

Klemschoen van een meerdelige velg van een vrachtwagen.

 

KILOMETERKOSTEN

Deze beslaan bij een auto de theoretische all-in-prijs. Deze prijs is inclusief afschrijving, verzekering en wegenbelasting bij een gegeven aantal kilometers per jaar.

 

KILOMETERTELLER

Telt het aantal kilometers, dat een auto tijdens zijn gebruiksleven aflegt. Meestal wordt de kilometerteller gecombineerd met de dagteller.

 

KINDERSLOT

De meeste auto’s hebben in de achterportieren kindersloten. Dat is een hendel waarmee het openen van de achterportieren van binnenuit onmogelijk wordt gemaakt.

 

KINDERZITHERKENNING

Een in de voorstoelzitting gemonteerde sensor meet de massa bovenop die stoel. Als daaruit blijkt dat daar een kind en geen volwassenene zit, wordt de impact van een zich ontvouwende airbag daarop aangepast.

 

KINDERZITJE

Kinderen van jonger dan vier jaar zijn nog te klein om voor volwassenen bedoelde veiligheidsgordels te passen. Daarom mogen zij in een auto alleen in een goedgekeurd en deugdelijk bevestigd kinderzitje worden vervoerd.

 

KINEMATISCHE VISCOSITEIT

Er zijn twee soorten viscositeit met de volgende relatie:

dynamische viscositeit = kinematische viscositeit x soortelijke massa.

De SI-eenheid van kinematische viscositeit van olie: vierkante meter/seconde.

 

KINETISCHE ENERGIE

Bewegingsenergie.

 

KING PIN [1]

Fuseepen.

 

KING PIN [2]

Koppelpen vooraan aan de onderkant van een oplegger. Als deze met een trekker wordt verbonden, wordt deze koppelpen in een gat achterop de trekker aangebracht.

 

KING-PIN INCLINATION

Fuseerdwarshelling.

 

KIT CAR

Auto, die door de autofabrikant als bouwpakket wordt geleverd en door de eigenaar zelf in elkaar moet worden gezet met gebruikmaking van een bijpassende donorauto.

 

KLAARKNOP

Knop waarmee een bepaald proces wordt beëindigd.

 

KLAPBAND

Situatie, waarbij een band als gevolg van een drastisch defect ‘eensklaps’ leeg loopt. Tegenwoordig zijn alle banden tubeless en is de kans op een klapband zeer gering.

 

KLASSE

Personenauto’s kunnen qua grootte in bepaalde klassen worden verdeeld: supermini’s, kleine klasse, compacte klasse, middenklasse, hoge middenklasse, hoofdklasse, compacte sportklasse, sportklasse en topklasse.

 

KLASSIEKER

Automodel, dat al gedurende langere tijd uit productie is maar geleidelijk op grond van zijn bijzondere karakter en/of zeldzaamheid een waardevol object is geworden.

 

KLEINE ONDERHOUDSBEURT

Bij een kleine onderhoudsbeurt wordt ‘klein onderhoud’ gepleegd. Dat blijft in principe beperkt tot verversing van de motorolie, soms vervanging van het motoroliefilter en visuele controles.

 

KLEMCODERING

Autofabrikanten hanteren voor de elektrische installatie van hun modellen een (door de DIN genormeerd) klemcoderingssysteem met cijfers en letters, zodat iedereen er veilig aan kan werken.

 

KLEMDIODE

Opgeklemde diode, die spanningspieken wegneemt die ontstaan bij uitschakeling van een elektrisch apparaat.

 

KLEMKABELSCHOEN

Een klemkabelschoen die op het uiteinde van een kabel is vastgeklemd, vormt het verbindingselement tussen die kabel en een stekkeraansluiting.

 

KLEP

Sluitstuk van een (meestal ronde) opening van een leiding. Hiermee kan vloeistof of gas kan worden doorgelaten of tegengehouden.

 

KLEPBEDIENING

Bij iedere omwenteling van de nokkenas ‘bedient’ een nok op de nokkenas een inlaatklep of een uitlaatklep. Dit heet klepbediening. Dit gebeurt meestal mechanisch, maar kan ook elektronisch en zelfs pneumatisch.

 

KLEPGELEIDER

Een vast in de cilinderkop gemonteerde buis. Daarin beweegt een klepsteel in axiale richting heen en weer.

 

KLEPHOEDJE

Klepsteelafdichting.

 

KLEPLICHTHOOGTE

Afstand, die een inlaatklep of uitlaatklep aflegt als deze door de nok van de nokkenas wordt geopend.

 

KLEPOPENINGSTIJD

Periode, waarin een inlaatklep of uitlaatklep is geopend.

 

KLEPOPSTELLING

Wijze, waarop de kleppen in de cilinderkop zijn aangebracht. Bij een moderne motor bevinden ze zich bovenin de cilinderkop.

 

KLEPOVERLAP

Periode in krukasgraden, waarbij de uitlaatklep nog niet gesloten is terwijl de inlaatklep al open staat. Zo worden de verbrandingsgassen na de uitlaatslag door de ‘verse’ stroom brandstof-luchtmengsel uit de verbrandingsruimte geduwd.

 

KLEPPEN STELLEN

Instelling van de speling tussen het uiteinde van een klepsteel en de bijbehorende kleptuimelaar (of nok van de nokkenas) instellen. Naarmate de motor warmer wordt, zet een klep uit en wordt hij dus langer. Daarom is een zekere klepspeling nodig.

 

KLEPPENDEKSEL

Deksel dat ter afsluiting bovenop de cilinderkop over de rij inlaatkleppen en uitlaatkleppen is aangebracht.

 

KLEPPENDEKSELPAKKING

Bevindt zich tussen de cilinderkop en het kleppendeksel. Deze is gemaakt van hittebestendig en veerkrachtig materiaal en dicht de pasvlakken van twee aan elkaar bevestigde onderdelen af.

 

KLEPPENDIAGRAM

Methode om de klepopeningstijden van een motor in één oogopslag af te lezen. Een kleppendiagram geeft informatie over het karakter van de motor en het klepoverlap.

 

KLEPPENTREIN

Ietwat alternatieve benaming voor de aandrijving van de kleppen door de nokkenas. De aandrijfkracht van de ronddraaiende krukas wordt via ketting, riem of tandwielen overgebracht op de nokkenas.

 

KLEPROTATOR

‘Freewheel’-mechanisme tussen klepveer en klepveerschotel (of tussen klepveer en cilinderkop). Daardoor wordt bij elke veerindrukking de inlaatklep of uitlaatklep iets verdraaid. Dat scheelt slijtage en is goed voor de koeling.

 

KLEPSCHOTEL

Is het ‘brede’ uiteinde van een klep, dat in gesloten toestand de in- of uitlaat afdicht. De diameter van een uitlaatklep is kleiner dan die van de inlaatklep.

 

KLEPSPELING

Speling tussen het uiteinde van een klepsteel en de betreffende kleptuimelaar (of de nok van de nokkenas). Als een klep warm wordt, wordt de klepsteel 0,1-0,3 mm langer. Als het uiteinde van de uitlaatklep in gesloten toestand de kleptuimelaar of de nokkenas raakt, verbrandt de klep.

 

KLEPSPIE

De klepveerschotel is door middel van twee halvemaanvormige klepspieën op het uiteinde van de klepsteel in axiale richting gemonteerd.

 

KLEPSTEEL

Een klep bestaat uit een klepschotel en een klepsteel. De klepsteel is het ‘dunne’ gedeelte van de klep, waarlangs de klep door de klepgeleider beweegt.

 

KLEPSTEELAFDICHTING

Kunststof afdichtring bovenaan de steel van een inlaatklep of uitlaatklep op de plaats, waar deze in en uit de klepgeleider schuift. Daardoor kan er geen olie vanuit de ruimte boven de kleppen langs de klepstelen in de verbrandingsruimte komen.

 

KLEPSTOTER

Geeft de beweging van de nok van de nokkenas door aan de klepsteel, die zo niet zijdelings maar alleen axiaal wordt belast.

 

KLEPTIMING

Populaire, semi-Engelstalige uitdrukking voor: klepopenings- en sluitingsmomenten.

 

KLEPTUIMELAAR

Als een klep niet rechtstreeks door de nokkenas wordt bediend, gebeurt dit via een kleptuimelaar. Deze is vergelijkbaar met een wip, die in het midden scharnierend in de cilinderkop is bevestigd.

 

KLEPVEER

Een inlaatklep of uitlaatklep wordt geopend door een nok van de nokkenas.  Daarna wordt die klep weer gesloten door een klepveer. Dit is vaak samengesteld uit een binnenveer en een buitenveer om zwevende kleppen tegen te gaan.

 

KLEPVEERSCHOTEL

Dwingt het bovenste uiteinde van de klepveer om mee te bewegen met de opengaande klep. De klepveer zit als een soort trekharmonica opgesloten tussen de (niet-bewegende) cilinderkop en de (bewegende) klepveerschotel.

 

KLEPZITTING

Vast in de cilinderkop gemonteerde stalen ring. Daarop komt de rand van de klepschotel terecht, als de klep door de klepveer wordt gesloten.

 

KLEURCODE

Om uit de grote verscheidenheid aan draden van de elektrische installatie wijs te kunnen worden zijn alle functies (behalve de accukabels, de massa-aansluitingen en de bedrading van de ontsteking) voorzien van een specifieke kleurcode.

 

KLIMAATREGELSYSTEEM

Combinatie van een verwarmingssysteem en airconditioning.

 

KLINKNAGEL

Massieve metalen stift, waarmee twee onderdelen met een niet al te grote dikte (bijvoorbeeld stukken plaatstaal) aan elkaar kunnen worden geklonken. Dit gebeurt door de klinknagel in een gat door beide lagen heen op te stuiken.

 

KLOPPEN

Detonatie.

 

KLOPSENSOR

Detonatiesensor.

 

KLOPVASTHEID

Kloppen is een spontane en dus ongewenste ontbranding van het brandstof-luchtmengsel in de verbrandingsruimte van een benzinemotor. Het octaangetal van een benzine is een norm voor klopvastheid.

 

KNALDEMPER

Uitlaatdemper.

 

KNALGAS

Licht ontvlambare accugassen. Knalgas kan tijdens het opladen uit de accu ontsnappen.

 

KNALPOT

Uitlaatdemper.

 

KNIE-AIRBAG

De knie-airbag is de laatste vondst op dit gebied. Deze beschermt de bestuurder tegen knieverwondingen, die hij zou kunnen oplopen  door cointact met het dashboard of de middenconsole.

 

KNIEGEWRICHT

Hulpstuk bij een set dopsleutels. Hiermee kan een bout of moer onder iedere voorkomende hoek tot 90 graden los of vast worden gedraaid.

 

KNIESLEUTEL

Twee dopsleutels, die via een scharnier aan een gemeenschappelijk middenstuk zijn verbonden. Dit stuk gereedschap is echter qua afmetingen hoog, ondiep en daarom niet altijd even goed bruikbaar.

 

KNIK

Bij buiging van een onderdeel (bijvoorbeeld een rechte stang) kan dit na ontlasting weer in zijn oorspronkelijke vorm terugkomen. Bij knik is dit niet meer mogelijk.

 

KNIPPERLICHTAUTOMAAT

Elektrische component, die de aan-/uit-regeling van de lichten van de richtingaanwijzer regelt.

 

KOBALT

Kobalt is een metaal, dat wordt gebruikt als component in sterke magnetische materialen.

 

KOELBLOK

Het koelblok van een radiateur bestaat uit een groot aantal kleine buizen. Daardoorheen stroomt de in de motor warm geworden koelvloeistof. Loodrecht hierop stroomt koude rijwind door het koelblok heen.

 

KOELFAN

Koelventilator.

 

KOELING

Voor de afvoer van overtollige warmte binnenin de motor is een koelsysteem nodig. Om te hoge motortemperaturen  te voorkomen wordt de warmte door het koelsysteem uit de motor  weggevoerd.

 

KOELMANTEL

Betreft bij een motor met vloeistofkoeling het netwerk van koelvloeistofleidingen rondom de verbrandingsruimte. Dat leidingnetwerk omhult als het ware de plaats waar de oververhitting plaatsvindt: de verbrandingsruimte.

 

KOELMIDDEL

Koelvloeistof zoals in gebruik in de airconditioning.

 

KOELRIBBE

Door het aanbrengen van koelribben wordt het buitenoppervlak van een te koelen component vergroot. Daardoor wordt het effect van koeling door rijwind verhoogd.

 

KOELSYSTEEM

Koeling.

 

KOELVENTILATOR

Wordt via een V-riem door de motor of elektrisch aangedreven. Als de door de radiateur heen stromende rijwind de koelvloeistof onvoldoende koeling geeft, zuigt (of perst) de koelfan rijwind bij wijze van koellucht tussen de lamellen van de radiateur door.

 

KOELVLOEISTOF

Bestaat bijna geheel uit water (aangevuld met antivries en enkele additives) en gedraagt zich ook als water. Het zet uit bij toenemende temperatuur en heeft in principe een kookpunt van iets meer dan 100 graden Celsius.

 

KOELVLOEISTOFNIVEAU

Niveau van de koelvloeistof in het expansiereservoir van een gesloten koelsysteem.

 

KOELVLOEISTOFPEIL

Koelvloeistofniveau.

 

KOELVLOEISTOFTEMPERATUUR

Het kookpunt van koelvloeistof (bijna geheel water) is iets meer dan 100 graden Celsius. In een gesloten koelsysteem kan dat toenemen tot maximaal circa 120 ºC. Een normale koelvloeistoftemperatuur is 80-90 ºC.

 

KOELVLOEISTOFTEMPERATUURMETER

Deze dashboardmeter geeft de temperatuur van de koelvloeistof aan. Bij een gezonde motor wordt de koelvloeistof nooit warmer dan de bedrijfstemperatuur.

 

KOELVLOEISTOFTEMPERATUURSENSOR

Meet voortdurend de koelvloeistoftemperatuur en geeft deze data door aan de koelvloeistoftemperatuurmeter.

 

KOELWATER

Koelvloeistof bestaat grotendeels uit water met daarin antivries en enkele andere additives. Daarom wordt koelvloeistof ook wel koelwater genoemd.

 

KOERSSTABILITEIT

Stabiliteit van de auto tijdens het rechtuit rijden.

 

KOETSWERK

Deftige uitdrukking uit het koetsentijdperk voor carrosserie van een auto.

 

KOFFERRUIMTE

Bagageruimte.

 

KOGEL

Stalen bol. Kogels worden in auto’s onder meer toegepast bij de wielophanging, de stuurinrichting en in kogellagers.

 

KOGELBELASTING

Kracht waarmee de aanhangwagenkoppeling aan het uiteinde van de dissel van een aanhangwagen op de trekhaak van de trekkende auto rust.

 

KOGELGEWRICHT

Driedimensionaal scharnierpunt. Normaalgesproken bevinden zich in de wielophanging van een auto enkele tientallen kogelgewrichten.

 

KOGELKLEP

Bestaat uit een kogel, die zich in een leiding bevindt en deze in één richting kan afsluiten of juist openstellen door middel van veerdruk.

 

KOGELKRINGLOOPSTUURINRICHTING

Qua werking vergelijkbaar met die van een bout en een moer. Als men aan het stuurwiel en dus aan de stuurstok met worm (de bout) draait, wordt de in de worm aangrijpende tandsector (de moer) verplaatst.

 

KOGELLAGER

Bestaat uit een vast bevestigde buitenkooi, een binnenkooi die met de as mee ronddraait en daartussenin opgesloten een rij ronde kogels, gesmeerd door vet om de wrijving tussen buiten- en binnenkooi op te heffen.

 

KOGELVRIJ GLAS

Gepantserde auto.

 

KOKEN

Overgang van een medium van vloeistof naar damp. De temperatuur waarbij dat gebeurt heet het kookpunt. Het ‘omgekeerde’ van koken is condenseren.

 

KOKENDE MOTOR

Een kokende motor bestaat niet, een motor met daarin kokende koelvloeistof wél. Soms gebeurt dit door thermische overbelasting, soms door een defect aan het koelsysteem.

 

KOLENDAMP

De aanwezigheid van koolmonoxide in de uitlaatgassen wijst op onvolledige verbranding van het brandstof-luchtmengsel. Het is het resultaat van een reactie tussen koolstof (afkomtig uit de brandstof) en zuurstof (afkomstig uit de inlaatlucht).

 

KOMZUIGER

Zuiger met een platte zuigerbodem met daarin een ondiepe uitholling. Zo’n zuigerkom maakt deel uit van de compressieruimte.

 

KONINGSAS

Vanuit het midden van de krukas lopende nokkenasaandrijving, bestaande uit een verticale as met aan beide kanten een haakse tandwieloverbrenging: de onderste vanaf de krukas en de bovenste naar de nokkenas.

 

KOOICONSTRUCTIE

Moeilijk deformeerbare constructie om het compartiment voor de inzittenden, met vóór en achter kreukelzones. Zo wordt de vrijkomende botsingsenergie deels geabsorbeerd.

 

KOOKPUNT [1]

Temperatuur, waarbij een vloeistof overgaat in damp. Benzine bestaat uit verschillende koolwaterstofverbindingen met elk een eigen kookpunt (40-180 graden Celsius.

 

KOOKPUNT [2]

Temperatuur, waarbij een vloeistof overgaat in damp. Koelvloeistof (water) heeft bij buitenluchtdruk een kookpunt van iets meer dan 100 º C, onder druk tot circa 120 ºC.

 

KOOKTRAJECT

Temperatuurgebied (40 – 180 graden Celsius) waarbinnen de kookpunten van de respectievelijke koolwaterstofverbindingen van een brandstof zich bevinden. Zo’n brandstof heeft dus geen vast kookpunt maar een kooktraject.

 

KOOL

Resten van koolstofresten na verbranding. In de verbrandingsruimtes van een motor hoort geen koolaanslag te zijn. Het kan echter het gevolg zijn van een te rijk brandstof-luchtmengsel of van versleten zuigerveren.

 

KOOLAANSLAG

Kool.

 

KOOLBORSTEL

Koolborstels verzorgen bij dynamo’s en startmotoren de stroomoverdracht vanaf het stilstaande huis naar de ronddraaiende sleepring. Daarmee zijn ze voortdurend in aanraking.

 

KOOLDIOXIDE

De aanwezigheid van ooldioxide (CO2) in de uitlaatgassen wijst op volledige verbranding van het brandstof-luchtmengsel. CO2 is in principe niet schadelijk voor de gezondheid, maar het draagt wel bij tot het broeikas-effect.

 

KOOLMONOXIDE

De aanwezigheid van koolmonoxide (CO) in de uitlaatgassen wijst op onvolledige verbranding van het brandstof-luchtmengsel: het resultaat van een reactie tussen koolstof (afkomstig uit de brandstof) en zuurstof (afkomstig uit de inlaatlucht).

 

KOOLMONOXIDEVERGIFTIGING

Koolmonoxide (CO) is een gas met als eigenschappen: kleurloos, reukloos, smaakloos en zeer giftig. Inademing van 0,3 volumeprocent CO gedurende meer dan 30 minuten is dodelijk.

 

KOOLSTOF

Samen met waterstof het belangrijkste chemische element dat er bestaat. Alle levende materiaal (waaronder indirect dus ook aardolie) bestaat immers uit koolwaterstofverbindingen.

 

KOOLSTOFSTAAL

Geen staallegering, maar ijzer met een klein percentage koolstof. Er is pas sprake van een staallegering, als hieraan nog kleine hoeveelheden andere metalen (bijvoorbeeld chroom en nikkel) worden toegevoegd.

 

KOOLSTOFVEZEL

Synthetisch materiaal met als basis koolstof. Bij dure sportwagens vervangt koolstofvezel bij de fabricage van chassis en carosserie steeds vaker aluminium. Is uiterst sterk, keihard, licht in gewicht maar ook bros.

 

 

KOOLSTOFVEZELVERSTERKTE KUNSTSTOFFEN

Koolstofvezel kan worden gebruikt als versterkend middel voor  bepaalde kunststoffen. Het wordt dan onder meer gebruikt voor de fabricage van niet‑dragende carrosseriedelen.

 

KOOLWATERSTOFVERBINDINGEN

Chemische verbindingen van koolstof en waterstof. Aardolie is daaruit opgebouwd, dus uitlaatgassen ook. Bij ‘ideale’ verbranden alle koolwaterstofverbindingen. In de praktijk blijven er altijd onverbrande koolwaterstofverbindingen over.

 

KOOLZAADOLIE

Op termijn mogelijk een alternatieve brandstof voor aangepaste dieselmotoren. Koolzaad is geheel plantaardig en biologisch afbreekbaar.

 

KOOLZUURSNEEUW

Koolzuur in vaste toestand. Dit is een witte, op sneeuw lijkende stof.

 

KOPER

Metaal dat (op zilver na) de beste geleider van elektriciteit is. Koper wordt in de techniek toegepast in koperdraad, elektromagneten en andere elektrische en elektronische componenten.

 

KOPERCORROSIE

Kopercorrosie betekent, dat bepaalde bestanddelen in benzine onderdelen van het brandstoftoevoersysteem aantasten die van koper zijn gemaakt.

 

KOPERVET

Speciaal vet, waarmee worden voorkomen dat onderdelen vastlopen als gevolg van te hoge drukken en temperaturen.

 

KOPKLEPMOTOR

Hierbij bevinden de inlaatkleppen en uitlaatkleppen zich in de cilinderkop. De kleppen bewegen in verticale richting: ze gaan naar beneden toe open en naar boven toe dicht.

 

KOPLAMP

Elke auto heeft aan de voorzijde twee koplampen. Zo kan de bestuurder in donker zien waar hij naar toe rijdt. Anderszijds wordt de auto zo door tegemoetkomend verkeer gezien.

 

KOPLAMPREGELSYSTEEM

Dit systeem past de lichtbundel van de koplampenaan de rij-omstandigheden aan, zodat de weg en de directe omgeving daarvan optimaal wordt verlicht zonder andere weggebruikers te verblinden.

 

KOPLAMPSPROEIER

Spuiten water op de koplampglazen om ze te reinigen. Koplampsproeiers kunnen vanaf het dashboard worden bediend.

 

KOPLAMPSPROEIERSENSOR

Soms zijn koplampsproeiers voorzien van een sensor, die controleert of de koplampen aan een wasbeurt toe zijn. Zodra deze de koplampglazen te vuil zijn geworden, wordt de koplampsproeier geactiveerd.

 

KOPLICHT

Koplamp.

 

KOPPAKKING

Cilinderkoppakking.

 

KOPPEL

Stelsel van twee gelijke en evenwijdige krachten, die in tegengestelde richting werken,  op afstand van elkaar aangrijpen en zo een draaiende beweging veroorzaken. Het draaimoment van een motor wordt uitgedrukt in de eenheid newton-meter.

 

KOPPELING [1]

Deel van de aandrijflijn. Vormt het enige uitschakelbare element in de aandrijflijn. Hiermee kan men vanuit stilstand soepel wegrijden, schakelen en stilstaan zonder de motor af te hoeven zetten.

 

KOPPELING [2]

Een ander soort koppeling is het element, dat in staat is om een verbinding te onderhouden tussen twee assen die ten opzichte van elkaar onder een hoek staan.

 

KOPPELINGSCILINDER

De hydraulische koppelingscilinder is direct met het koppelingspedaal verbonden. De vloeistofdruk zet de koppeling in werking.

 

KOPPELINGSDRUKGROEP

Onderdeel van de koppeling bestaande uit diafragmaveer en drukplaat. De drukgroep drukt de koppelingsplaat tegen het vliegwiel, zodat deze niet kan slippen.

 

KOPPELINGSDRUKLAGER

Voorkomt, dat de koppelingsvork door de ronddraaiende beweging van de (aan de krukas vastzittende) koppelingsdrukplaat zijwaarts wordt bewogen.

 

KOPPELINGSHUIS

Omhulsel waarin de koppeling is ondergebracht.

 

KOPPELINGSKABEL

Bij veel auto’s wordt  de koppeling niet hydraulisch maar door middel van een kabel bediend.

 

KOPPELINGSPEDAAL

Pedaal om de verbinding tussen de motor en de aangedreven wielen te verbreken (door dit pedaal in te drukken) en te herstellen (door het pedaal op te laten komen).

 

KOPPELINGSPLAAT

Onderdeel van de koppeling. De drukgroep drukt de koppelingsplaat in axiale richting tegen het vliegwiel, zodat deze niet kan slippen.

 

KOPPELINGSVORK

Scharnierende hendel, die de beweging van het koppelingspedaal naar het koppelingsdruklager overbrengt.

 

KOPPELKROMME

Met behulp hiervan kan men aflezen hoeveel koppel de motor bij elk voorkomend toerental bij geheel geopende gasklep kan leveren, en bij welk toerental de maximale waarde wordt bereikt.

 

KOPPELOMVORMER

Is, samen met een automatische versnellingsbak, een verbeterde uitvoering van de vloeistofkoppeling. Dankzij de stator kan bij maximale slip het koppel worden vergroot met de factor 2 tot 2,5.

 

KOPPELPEN

Opleggers hebben vooraan aan de onderkant een koppelpen. Als een oplegger met een trekker wordt verbonden, wordt deze in een gat achterop de trekker aangebracht.

 

‘KORTE’ VERSNELLINGSBAK

Versnellingsbak met extra-lage overbrengingsverhoudingen. Deze modificatie wordt soms in de autosport toegepast, als behoefte bestaat aan een betere acceleratie tegen inlevering van (als ook de hoogste versnelling ‘korter’ is) een lagere topsnelheid.

 

KORTESLAGMOTOR

Bij zo’n motor is de boring groter dan de slag. De zuigers van een korteslagmotor leggen tussen ODP en BDP dus een relatief korte afstand af. Daarom kan zo’n motor hoge toerentallen draaien.

 

KORTSLUITING

Verbinding of aanraking tussen twee elektrisch niet geïsoleerde punten van één of meerdere stroomgeleiders. Daardoor neemt de elektrische weerstand van de stroomkring af en neemt de stroomsterkte evenredig toe.

 

KOUDBEITEL

Een beitel is een stalen stuk gereedschap met aan één uiteinde een wigvormige scherpe snede. Met een koubeitel kan staal worden bewerkt.

 

KOUDE BOUGIE

Een koude bougie is een bougie met een lage warmtegraad. Hoog opgevoerde motoren hebben die nodig. Zo’n bougie kan de warmte namelijk extra snel afvoeren.

 

KOUDE MOTOR

Motor die nog niet op bedrijfstemperatuur is.

 

KOUDE SOLDEERVERBINDING

Slechte soldeerverbinding door te solderen op niet goed verwarmde delen, waardoor het soldeersel niet voldoende kan vloeien.

 

KOUDE START

Startprocedure bij een nog koude motor. Belangrijk is, dat deze op een verantwoorde wijze zo snel mogelijk op bedrijfstemperatuur komt.

 

KOUDEMIDDEL

Vloeistof, die bij de airconditioning warmte afvoert. Tijdens het proces verandert het koudemiddel één keer van vloeistof tot gas en één keer van gas tot vloeistof

 

KOUDSTARTSTROOM

Hoeveelheid elektrische stroom, die de accu moet kunnen opbrengen om de motor koud te laten starten.

 

KPI

Fuseedwarshelling.

 

KRAAGRUIMER

Snij-ijzer waarmee rondom een rond gat een kraagverdieping kan worden uitgesneden.

 

KRAAKBENZINE

Na destillatie van aardolie blijven de ‘zware’ fracties achter. Die grote moleculen kunnen worden gebroken (‘gekraakt’). De daaruit voortkomende kraakbenzine heeft een lage MON en vertoont neiging tot oxidatie.

 

KRACHT

Een kracht is in staat tot vervorming of verplaatsing. Kracht en druk worden vaak met elkaar verward, maar het zijn twee verschillende grootheden. De SI-eenheid van kracht is newton.

 

KRACHTAFNEMER

Hiermee kan de motor van een stilstaande auto een op dat voertuig gemonteerd stationair aggregaat aandrijven. Dit kan op twee manieren: direct vanaf de krukas of indirect vanaf de versnellingsbak.

 

KRACHTSENSOR

Zo’n sensor meet krachten, zoals de gierkracht ten behoeve van het stabiliteitsregelsysteem. De aan de computer verstrekte meetgegevens stellen die in staat om de juiste opdrachten aan de ‘uitvoerende’ componenten te geven.

 

KRAKEN

Na destillatie van aardolie blijven de ‘zware’ fracties achter. Daaruit worden stookolie, asfalt en smeermiddelen gefabriceerd. Die grote moleculen kunnen worden gebroken (‘gekraakt’). Kraakbenzine heeft een lage MON en vertoont neiging tot oxidatie.

 

KRAS

Indruk op een hard oppervlak, die werd gemaakt doordat een puntig voorwerp er snel overheen werd bewogen.

 

KRATERVORMING

Kratervorming in verse lak is het gevolg van voorafgaande verontreiniging van de ondergrond door siliconenhoudende lakbeschermingsmiddelen en/of smeermiddelen.

 

KREUKELZONE

Structureel zwak deel (aan de voorkant en achterkant) van de zelfdragende carrosserie, da is bedoeld om krachten te absorberen in geval van en botsing.

 

KRIK

Met een krik kan de voorkant, zijkant of achterkant van een auto worden opgetild. Iedere auto heeft een viertal ‘vaste’ ondersteuningspunten, die moeten worden gebruikt.

 

KRIMP

Als in een vlakke staalplaat een trekspanning aanwezig is, is het materiaal op die plaats te kort ten opzichte van het omringende materiaal. Dit heet krimp.

 

KRINGLOOP

Komt in de praktijk neer op: terugwinning van waardevolle stoffen uit afval. Daarbij wordt tevens bodemvervuiling tegengegaan.

 

KROONMOER

Moer met inkepingen voor de bevestiging van een splitpen.

 

KROONSTEENTJE

Blokje van kunststof, voorzien van één ingang en één uitgang om twee stroomdraden met elkaar te verbinden.

 

KROONWIEL

Bij een ‘kroonwiel en pignon‘ is het grote tandwiel het kroonwiel. Dit staat haaks op de pignon, die zich aan het uiteinde van de cardanas bevindt.

 

KRUIPOLIE

Dunne olie van een bijzondere samenstelling om vastzittende onderdelen los te weken. Dit soort olie is door capillaire werking in staat om door te dringen tot plaatsen, die normaalgesproken moeilijk bereikbaar zijn.

 

KRUIPVERSNELLING

Ultra-lage versnelling, vaak bedoeld voor gebruik in moeilijk begaanbaar terrein.

 

KRUISCHASSIS

Een ouderwets kruischassis is opgebouwd uit twee kruisvormig opgestelde draagbalken, die soms zijn versterkt met dwarsbalken. Komt alleen voor bij auto’s zonder een zelfdragende carrosserie.

 

KRUISKOPPELING

Gaffelvormige uiteinden van twee draaibare assen, die door een gemeenschappelijk kruisstuk met elkaar zijn verbonden. Kruiskoppelingen komen voor bij stuurinrichtingen, cardanassen en aandrijfassen.

 

KRUISKOPSCHROEF

Schroef met aan de bovenkant een kruisgleuf, waar een kruiskopschroevendraaier in past.

 

KRUISKOPSCHROEVENDRAAIER

Schroevendraaier met een kruisvormig uiteinde, dat past in de kruisgleuf van een kruiskopschroef.

 

KRUISSLEUTEL

Algemeen in gebruik als wielsleutel in de vorm van een kruis met aan elk uiteinde een andere dopsleutelmaat. Dankzij de lange armen kunnen hiermee wielmoeren met een groot moment worden vastgedraaid.

 

KRUISSNELHEID

Hoogste snelheid die een auto gemakkelijk over een lange periode kan volhouden. Een auto kan niet voor onbepaalde tijd op maximumsnelheid rijden. Dan zou de motor kunnen worden overbelast.

 

KRUKAS

Een krukas zorgt samen met de drijfstangen voor de omzetting van de op en neer gaande (dus technisch vrijwel onbruikbare) beweging van de zuigers in de ronddraaiende (dus zeer ‘bruikbare’) beweging van de uitgaande as.

 

KRUKASCARTER

Bovenste helft van het carter. Dat is het motorgedeelte met de cilinders, de krukas, de drijfstangen en de zuigers.

 

KRUKASKEERRING

De krukas steekt aan de voorkant en aan de achterkant uit het motorblok. Krukaskeerringen zorgen ervoorr, dat er geen olie kan weglekken tussen de krukas en het motorblok.

 

KRUKASLAGER

Hoofdlager.

 

KRUKASPOELIE

Poelie aan het voorste uiteinde van de krukas, dus aan de voorkant van de motor. De krukas drijft vanaf de krukaspoelie de V-riem (of de multi-V-riem) aan.

 

KRUKASPOSITIESENSOR

Sensor, die voortdurend de positie meet van de ronddraaiende krukas.

 

KRUKASPOSITIE‑TOERENTALSENSOR

Combinatie van een krukaspositiesensor en een toerentalsensor. Deze sensor verzamelt meetgegevens en geeft ze door aan het motormanagement.

 

KRUKASTANDWIEL

Bij een klepbediening die via een ketting of getande riem verloopt, bevindt het krukastandwiel zich aan het uiteinde van de krukas en het nokkenastandwiel zich aan het uiteinde van de nokkenas.

 

KRUKKAST

Bovenste helft van het carter. Dat is het motorgedeelte met de cilinders, de krukas, de drijfstangen en de zuigers.

 

KRUKTAP

Gedeelte van de krukas waar een hoofdlager of een drijfstanglager is aangebracht.

 

KUBIEKE METER

Kubieke meter (m3) is de SI-eenheid van volume.

 

KUBIEKE UITZETTINGSCOËFFICIËNT

Geeft de relatieve verandering aan, die een bepaalde stof ondergaat bij een temperatuursverhoging van één kelvin (één graad Celsius).

 

KUIPSTOEL

Primair voor sportief autogebruik bestemd. Een kuipstoel bestaat uit een nauwpassend van kunststof gemaakte kuip met een relatief ‘diepe’ pasvorm en meer zijdelingse steun dan de originele stoel.

 

KUNSTHARS

Synthetische stof, die als bindmiddel dient onder meer voor polyesther- en  koolstofvezel-onderdelen. Kunsthars wordt veel gebruikt  als bouwstof voor carosserie-onderdelen.

 

KUNSTSTOF

Een moderne personenauto bebetekent een groot gedeelte uit zo’n 150 soorten kunststof. De basiselementen van kunststof zijn koolstof en waterstof.

 

KUNSTSTOFHAMER

De geheel van kunststof gemaakte kop van een hamer houdt qua hardheid het midden tussen staal en rubber. kunststof is wel zo zacht, dat er bijna zonder risico mee op assen en bouten kan worden geslagen.

 

KWARTSGLAS

Is beter dan gewoon glas bestand tegen de hoge temperatuur binnenin een lamp. De ‘bol’ van een halogeenlamp is van kwartsglas.