D

 

 

D-DAKSTIJL

Achterste dakstijl van een stationcar. De D-stijl bevindt zich tussen de achterste zijruit en de achterruit.

 

D-SEGMENT

Alle op de markt zijnde personenauto’s kunnen, al naar gelang de grootte, worden onderverdeeld in twaalf groepen of segmenten. In het D-segment is de middenklasse ingedeeld (bijvoorbeeld Audi A4, Ford Mondeo, Volkswagen Passat).

 

D-STIJL

D-dakstijl.

 

DAGTELLER

Hiermee kan het aantal per rit of per dag afgelegde kilometers worden aangegeven. De tripteller is een meestal in combinatie met de kilometerteller in de snelheidsmeter geïntegreerd apparaat

 

DAGWAARDE

Waarde op de dag van taxatie of berekende marktwaarde op dat moment van een auto. Bij een total-loss gaat de verzekeringsmaatschappij meestal uit van de dagwaarde van de auto.

 

DAK

Cabriolet (convertible).

 

DAKDRAGER

Draaginrichting om bagage (meestal met een maximum van 50 kilogram) op het dak van een auto te kunnen vervoeren.

 

DAKHEMEL

De (van binnenuit zichtbare) onderzijde van het dak van een auto.

 

DAKSTIJL

Vormt een vaste verbinding met dragende functie tussen het dak en de rest van de carrosserie. Zie verder: A-dakstijl, B-dakstijl, C-dakstijl, D-dakstijl.

 

DAMP

Gasvormige toestand van een stof, die bij normale temperatuur als vloeistof (brandstof, water) of als vaste stof voorkomt. In geval van water spreekt men van waterdamp.

 

DAMPBEL

Bol van damp, die is omgeven door een vloeistof.

 

DAMPBELVORMING [1]

Overhitte brandstof verdampt (kookt) in de brandstofleiding. De luchtbelletjes kunnen niet door de brandstofopvoerpomp worden aangezogen. Daardoor stagneert de brandstoftoevoer.

 

DAMPBELVORMING [2]

Oververhitte remvloeistof verdampt in de remleidingen. De luchtbelletjes worden door de hoofdremcilinder samengeperst. Dan stagneert de remwerking ernstig.

 

DAMPSPANNING

Pneumatische spanning.

 

DAMPSLOT

Dampbelvorming.

 

DARLINGTON-PAIR

Een set van twee transistoren, dat met een uiterst kleine elektrische stroom een grote elektrische stroom aanstuurt.

 

DARLINGTON-TRANSISTOR

Darlington pair.

 

DASHBOARD

Instrumentenpaneel in de auto, aangebracht in het zicht van de bestuurder.

 

DAYTIME RUNNING LIGHTS

Systeem, waarbij de koplampen uit veiligheidsoverwegingen altijd (dus overdag en in het donker) automatisch aan gaan (worden ontstoken), als de auto gaat rijden.

 

 DCG

Transmissie met twee koppelingen.

 

DEBIET

Aantal kubieke meters lucht of vloeistof, dat op een bepaald punt van een leiding per seconde langs stroomt.

 

DEBIETMETER

Huis met een stuwschijf of een elektronische sensor als deel van een brandstofinjectiesysteem. Deze meet de hoeveelheid van de instromende inlaatlucht.

 

DECELERATIE

Tegengestelde van acceleratie. Tijdens de acceleratie worden de wielen door de motor aangedreven, tijdens de deceleratie de motor door de wielen.

 

 DE DION-AS

Starre achteras met los daarvan het differentieel en de aandrijfassen. Combineert de voordelen van de starre as met die van de onafhankelijke wielophanging.

 

DEELAUTO

Gebruiksauto, die om economische redenen in het gebruik wordt ‘gedeeld’  door meerdere bestuurders.

 

DEELLAST

‘Ergens’ tussen nullast en vollast. Bij deellast drijft een motor dus zichzelf aan en levert daarnaast ook nog een bepaald koppel naar buiten toe.

 

DEEP CYCLING

Procedure waarbij een accu bijna geheel wordt ontladen en weer geheel wordt geladen.

 

DEFECTSIGNALERINGSLICHT

Controlelicht, dat waarschuwt als er ‘iets’ slecht functioneert. Bij moderne auto’s met OBD worden de uitlaatgasgerelateerde componenten door dit controlelicht bewaakt. Een brandend MIL wordt geregistreerd door het motormanagementsysteem.

 

DEFORMEREN

Vervormen.

 

DEFROSTER

Ontdooi-inrichting.

 

DEKLAAG

Laatste laklaag die op plaatwerk wordt aangebracht. De volgorde van de verschillende lagen is: grondlaagplamuurvullerdeklaag.

 

DEKLAK

Deklaag.

 

DELAY TIME

Ontstekingsvertraging.

 

DELTA-LINK-ACHTERWIELOPHANGING

Achterwielophanging met meerdere onder een schuine hoek gemonteerde draagarmen per wiel. Die draagarmen vormen tesamen ongeveer de vorm van een driehoek.

 

DEMPER [1}

Schokdemper.

 

DEMPER [2]

Uitlaatdemper.

 

DERDE DEUR

Achterklep van een hatch-back met twee portieren.

 

DERDE DIFFERENTIEEL

Centraal differentieel.

 

DERDE REM

Vertragend van het op de motor remmen.

 

DERDE REMLICHT

Dient om het achteropkomende verkeer er extra (en eerder) op te attenderen dat er wordt geremd. Om op te vallen is het derde remlicht relatief hoog gemonteerd.

 

DESMODROMISCHE KLEPBEDIENING

Bij een motor met desmodromische klepbediening worden de kleppen door de nokkenas zowel geopend als gesloten. Dankzij de vrijwel spelingloze werking komen zwevende kleppen niet meer voor.

 

DESAXATIE

Een zuigerpen is meestal uit het midden van de zuiger aangebracht om deze tijdens de op- en neerwaartse slagen de gewenste kant op te laten kantelen.  Dan spreekt men van desaxatie van de zuigerpen.

 

DESTILLATIE

Hierbij worden stoffen met verschillende kookpunten, door verhitting tot damp en afkoeling tot  vloeistof van elkaar gescheiden. Destillatie vindt onder andere plaats in een olieraffinaderij.

 

DETONATIE

Spontane en dus ongewenste ontbranding van het brandstof-luchtmengsel in de verbrandingsruimte van een benzinemotor. Druk- en temperatuurpieken kunnen zware motorschade veroorzaken.

 

DETONATIESENSOR

Registreert wanneer de motor gaat detoneren en ‘meldt’ dit aan het motormanagement. Dat zorgt dan voor minder voorontsteking. Zodra het kloppen ophoudt, wordt de ‘oude’ voorontsteking weer ingesteld.

 

DEUTSCHES INSTITUT FÜR NORMUNG

Dit instituut normeert technische eenheden. Zo weet iedereen ter wereld exact, hoeveel een DIN-kilowatt bedraagt. DIN betekende vroeger’Deutsche Industrie Norme’.

 

DIAFRAGMA

De moderne betekenis is: flexibele tussenwand van een diafragmakoppeling of een diafragmaveer.

 

DIAFRAGMAKOPPELING

Koppeling met in plaats van drukvingers een diafragmaveer. Deze kan onder pedaaldruk om een drukpunt omslaan en de drukplaat van de koppelingsplaat lostrekken.

 

DIAFRAGMAVEER

Kegelvormige, flexibele ronde plaat van verenstaal met een gat in het midden en van daaruit naar buiten lopende inkepingen. Deze veert in onder pedaaldruk en kan omslaan om een drukpunt om de koppeling vrij te laten komen.

 

DIAGNOSE

Vaststelling van de aard en de plaats van een defect.

 

DIAGNOSE-APPARATUUR

Hiermee kunnen elektronische systemen worden gecontroleerd op  storingen. Voorbeelden van dit soort apparatuur: het uitleesapparaat van de OBD, de ampèremeter, contacthoekmeter en voltmeter.

 

DIAGNOSESTEKKER

De meeste elektronische motormanagementsystemen hebben een zelfdiagnosesysteem. Vanaf een centrale diagnosestekker wordt de informatie ingewonnen, die de monteur nodig heeft om de storingsbron vast te kunnen stellen.

 

DIAGONAAL

Lijn die twee niet opeenvolgende hoeken van een vierhoek met elkaar verbindt.

 

DIAGONAALBAND

Hiervan bestaat het karkas uit koordlagen, die elkaar diagonaal kruisen en symmetrisch over elkaar heen liggen. Alleen voor aanhangwagens worden nog diagonaalbanden gebruikt.

 

DIAGONAALGORDEL

Hierbij loopt het bovenste gedeelte van de veiligheidsgordel diagonaal) vóór de inzittende langs. Dit soort veiligheidsgordel is achterhaald en relatief onveilig.

 

DIAMETER

Hartlijn van een cirkelvormige doorsnede.

 

DICHTHEID

De dichtheid van een stof is de massa, gemeten in kilogrammen, van één kubieke meter van die stof. Zo is de dichtheid van water en benzine respectievelijk 1.000 en 750 kg/m³.

 

DIEFSTAL

Diefstalalarmsysteem.

 

DIEFSTALALARMSYSTEEM

Middelen om het stelen van de auto te bemoeilijken zijn het stuurslot, de startblokkeerinrichting en zichtbare en hoorbare alarminrichtingen.

 

DIEPLADER

Oplegger waarbij de laadruimte zich tussen de nek en de achterwielen bevindt. Kenmerkend is de platte en lage laadvloer. Wordt gebruikt om hoge lading te vervoeren.

 

DIESELBRANDSTOF

Ontstaat door destillatie van aardolie. Kenmerken opzichte van benzine: een hoger gewicht, een hogere verbrandingswarmte en een betere ontstekingsgewilligheid.

 

DIESELBRANDSTOFINJECTIE

Dieselbrandstofinspuiting.

 

DIESELBRANDSTOFINSPUITING

Een dieselmotor heeft altijd brandstofinjectie. De vorming van het brandstof-luchtmengsel begint pas, als de dieselbrandstof tegen het einde van de compressieslag wordt geïnjecteerd.

 

DIESELCOMPRESSIETEST

Hiermee kan de conditie van een al wat oudere dieselmotor globaal worden gecontroleerd. Zo’n test geeft ook informatie over de kwaliteit van de koude start.

 

DIESELINSPUITPOMP

Dieselbrandstof moet onder hoge druk worden ingespoten. Daarvoor zijn bijzondere brandstofinspuitpompen nodig. Indirecte dieselbrandstofinspuiting geschiedt bij relatief lage en directe inspuiting bij relatief hoge druk.

 

DIESELKLOP

Hierbij laat de ontbranding van de ingespoten hoeveelheid dieselbrandstof te lang op zich wachten. Zo blijft er te weinig tijd over voor een normale verbranding.

 

DIESELMOTOR

De ontbranding van het brandstof-luchtmengsel verloopt spontaan. De brandstof is dieselolie in plaats van benzine. Een dieselmotor heeft, anders dan de benzinemotor, altijd lucht genoeg.

 

DIESELOLIE

Dieselbrandstof.

 

DIESELPOMP

Dieselinspuitpomp.

 

DIFFERENTIEEL

Een tussen de aangedreven wielen gemonteerd tandwielstelsel. In een bocht kan dankzij het differentieel een binnenwiel langzamer draaien dan het buitenwiel.

 

DIFFERENTIEELHUIS

Huis waarin de tandwielen van het differentieel afgesloten van de buitenlucht zijn ondergebracht. Bij auto’s met voorwielaandrijving hebben de versnellingsbak en het differentieel vaak een gemeenschappelijk huis.

 

DIFFERENTIEELOLIE

Differentieelolie smeert het differentieel. Aan dit soort olie worden minder zware eisen gesteld, omdat erin een differentieel geen sprake is van druksmering. Wel is er een antischuim-additive ingedaan. Luchtbelletjes smeren immers niet.

 

DIFFERENTIEELSLOT

Schakelt de differentieelwerking tijdelijk uit. Soms komt een ‘vaste’ verbinding tussen de aangedreven wielen beter uit. Dan is er dus sprake van een 100 % sperdifferentieel.

 

DIFFUSER

Een brede, lage tunneluitgang onder aan de achterkant van een auto. De onder de auto doorwaaiende rijwind expandeert daar, waardoor er onderdruk en dus neerwaartse kracht ontstaat.

 

DIFFUSIE

1] Vermenging van twee ongelijksoortige vloeistoffen of gassen.

2] Verstrooiing van licht.

 

DIFFUSIELICHT

Verstrooid, onregelmatig teruggekaatst licht.

 

DIFFUSOR

Diffuser.

 

DIFFUUS

Verspreid, verstrooid.

 

DIGITAAL

Cijferverwerkend, elektronisch werkend. Een digitaal meetinstrument geeft een meetresultaat in cijfers aan. Een digitale meter heeft dus geen wijzernaald.

 

DIKVLOEIBAARHEID

Viscositeit.

 

DILATATIE

Uitzetting van een lichaam. Metalen onderdelen zetten uit, als ze worden verwarmd. ‘Koud’ moet er dus al een zekere speling tussen twee bewegende onderdelen zijn.

 

DIMLICHT

Gedimd groot licht.

 

DIMMER

Apparaat dat ervoor zorgt, dat de koplampen van een rijdende auto automatisch dimmen als er een tegenligger aankomt.

 

DIN

Deutsches Institut für Normung.

 

DIODE

Component van een elektronisch circuit. Het is een halfgeleider die in slechts één richting elektrische stroom doorlaat – een soort elektronische terugslagklep.

 

DIRECT

Rechtstreeks, zonder omwegen, zonder tussenstappen.

 

DIRECTE BENZINE-INJECTIE

Directe benzine-inspuiting.

 

DIRECTE BENZINE-INSPUITING

Hierbij wordt de benzine direct in de verbrandingsruimte geïnjecteerd en verneveld. Op die manier vindt de mengselvorming zorgvuldiger en gelijkmatiger plaats.

 

DIRECTE DIESELBRANDSTOFINSPUITING

Hierbij wordt de brandstof in vernevelde vorm direct in de verbrandingsruimte ingespoten. Zware bedrijfswagens hebben altijd dit soort motoren.

 

DIRECTE KLEPBEDIENING

Betreft het hele traject vanaf de krukas tot de kleppen. Directe klepbediening betreft hiervan het tweede deel vanaf de nokkenassen naar de kleppen.

 

DIRECTE KOELING

Bij motoren met luchtkoeling wordt de verbrandingswarmte vanaf de motor door langsstromende rijwind direct afgevoerd. Dit heet directe koeling.

 

DIRECTE ONTSTEKING

Hierbij is bij een motor boven elke bougie een aparte bobine geplaatst. Hierbij zijn hoogspanningskabels tussen de bobine en de bougies dus niet meer nodig.

 

DIRECTE STUURINRICHTING

Hierbij worden de door de bestuurder uitgevoerde stuurbewegingen via een op het uiteinde van de stuuras gemonteerd tandwiel overgebracht op een tandheugel.

 

DIREKTSCHALTGETRIEBE

Transmissie met twee koppelingen.

 

DISPERGEERMIDDEL

Middel om twee stoffen met elkaar te vermengen.

 

DISPERGEREN

Een stof met een andere stof vermengen.

 

DISPERSIE

Mengsel van minimaal twee stoffen. Hierbij is de ene stof in fijn verdeelde toestand aanwezig. De andere stof (meestal een vloeistof) is dan het dispersiemiddel.

 

DISPLAY

Beeldscherm.

 

DISSEL

Stang aan de voorkant van een aanhangwagen. Aan het uiteinde bevindt zich de koppeling, waarmee deze aan een trekkende voertuig kan worden gekoppeld.

 

DISSELWEGER

Hiermee kan de kogelbelasting van een aanhangwagen worden gewogen.

 

DISTILLATIE

Destillatie.

 

DISTRIBUTIE

Samenstelling van onderdelen tussen krukas en nokkenas: krukastandwiel, distributieriem of distributieketting, evt. spanrollen, soms de waterpomp en nokkenastandwiel

 

DISTRIBUTIEDEKSEL

Dekt de distributie van de buitenwereld af. Zo kan er geen vuil naar binnen en geen olie naar buiten. Distributieketting en distributietandwielen worden door olie gesmeerd.

 

DISTRIBUTIEKANT

Distributiezijde.

 

DISTRIBUTIEKETTING

Verbindt de krukas met de nokkenas(sen). Voordelen: heeft weinig ruimte nodig en gaat een heel autoleven mee. Nadeel: rekt uit en heeft dus een kettingspanner nodig.

 

DISTRIBUTIERIEM

Verbindt de krukas met de nokkenas(sen). Een distributieriem is gemaakt van met staaldraad versterkte kunststof. Moet om de 60.000-120.000 km preventief worden vervangen.

 

DISTRIBUTIETANDWIELEN

Verbinden de krukas met de nokkenas(sen). Deze ‘trein’ van tandwielen wordt vaak ook benut om aggregaten zoals de waterpomp en de brandstofinspuitpomp aan te drijven.

 

DISTRIBUTIEZIJDE

Afspraak: de distributiezijde is de voorkant van een motor. Het maakt daarbij niet uit of de motor in de lengte of dwars is ingebouwd. Hier begint ook de cilindernummering.

 

DIVE

Duiken.

 

DODE HOEK

Door de vlakte van de achteruitkijkspiegel onzichtbare gedeelte achter de spiegel naast de auto. Met name bij vrachtwagens worden hiervoor tegenwoordig camera’s gebruikt.

 

DODE PUNT

Punt waarop een beweging stopt. Tijdens de bewegingscyclus van de zuiger van een draaiende motor komt deze tweemaal in de cilinder tot stilstand: in BDP en ODP.

 

DODE SLAG

Gedeelte van de pedaalslag waarbij er nog niets gebeurt, behalve dat er op diverse punten spelingen worden opgeheven. Dan pas functioneert het  overbrengingssysteem.

 

DODEHOEKWAARSCHUWINGSSYSTEEM

Waarschuwt de bestuurder van een rijdende auto voor andere voertuigen, die zich op dat moment in zijn dode hoek bevinden.

 

DOHC-MOTOR

De term ‘dubbele bovenliggende nokkenas’ klopt technisch niet.  Een DOHC-motor is een motor met twee bovenliggende nokkenassen.

 

DOLLY [1]

Ligbed op wieltjes om ruggelings onder een auto te kunnen werken

 

DOLLY [2]

Apparaat op wielen, waarmee een auto met één van de twee assen los van de grond kan worden versleept.

 

DOMPEN

Een dompende beweging maken om de horizontale as (dus haaks op de rijrichting) van de afgeveerde massa van de auto. Dit gebeurt tijdens het gasgeven en remmen.

 

DONORAUTO

Auto die door de fabrikant als uitgangspunt voor de techniek bij een kit car wordt gebruikt. Sommige Engelse sportwagens worden in onderdelen geleverd, omdat men zo de BTW kan ontwijken.

 

DOOD

Loos, niet bewegend, niet zichtbaar.

 

DOORLAATRICHTING

Richting waarheen een diode elektrische stroom doorlaat, nadat de spanning in een bepaalde waarde heeft bereikt.

 

DOORSLAG

Staafvormig stuk gereedschap, om verende pennen en vastgeroeste bouten het een hamer uit hun behuizing te kunnen slaan.

 

DOORSLAGSPANNING

Spanning tussen twee punten (zonder geleidende verbinding) van een elektrisch veld, waarbij de daartussen oplopende spanning een elektrische doorslag veroorzaakt.

 

DOORSMEERBEURT

Vroeger had een auto een groot aantal smeerpunten, die  periodiek apart met de vetspuit moesten worden gesmeerd. Dat verklaart het aloude begrip doorsmeerbeurt.

 

DOORSNEDE

Dwarsvlak waarlangs een lichaam is doorgesneden.

 

DOORVOERRUBBER

Als een kabelboom door een gat in de carrosserie moet worden getrokken, wordt ter bescherming een ringvormig doorvoerrubber gebruikt.

 

DOP

Opzetstuk van een dopschroevendraaier of een dopsleutel, waarmee een bout of een moer  wordt aangegrepen.

 

DOPE

Additive.

 

DOPSCHROEVENDRAAIER

Schroevendraaier met een vierkant uiteinde waarop een dop past. Het is dus een hulpstuk voor dopsleutels.

 

DOPSLEUTEL

Grijpt een boutkop of een moer op alle zes de hoekpunten aan. Hij bestaat uit een arm die door de monteur wordt vastgehouden en de losse dop op de bout of moer.

 

DORPEL

Drempel.

 

DOSEUR

In de kanalen van een carburateur zijn gekalibreerde openingetjes aangebracht: doseurs en sproeiers. Het verschil: een doseur is ondergedompeld in vloeistof en een sproeier niét.

 

DOT-CLASSIFICATIE

In de DOT-classificatie zijn eisen geformuleerd, waaraan remvloeistof onder ‘Europese’ rij-omstandigheden moet voldoen.

 

DOUBLE-CLUTCHEN

Met tussengas terugschakelen, terwijl het koppelingspedaal twee keer wordt ingetrapt (double declutch). Zo raken de snelheden van de aangrijpende tandwielen met elkaar in overeenstemming en worden de synchromesh-ringen in de versnellingsbak ontzien.

 

DOUBLE DECLUTCH

Double-clutchen.

 

DOWNFORCE

Neerwaartse kracht.

 

DOWNSIZING

Beperking van de cilinderinhoud van een motor, terwijl toch dezelfde prestaties moeten worden geleverd. Dit kan alleen bij een verhoogd motor rendement en een betere verbranding.

 

DRAADBOOM

Verzameling kabels, die zijn samengebonden tot een ‘boom’. Dit is als het ware de aorta van de elektrische installatie van een auto.

 

DRAADHUIS

Bus of huls met schroefdraad aan de binnenkant.

 

DRAADOOG [1]

Een van staaldraad gemaakte lus aan het uiteinde van een stalen kabel.

 

DRAADOOG [2]

Oog met een in-of uitwendige schroefdraad eraan om het ergens aan te schroeven.

 

DRAADSTANG

Stang met schroefdraad erop getapt.

 

DRAADZEKERING

Stukje elektriciteitsdraad met een bepaalde weerstand en met aan beide kanten een aansluitmogelijkheid, bijvoorbeeld tussen de accu en de zekeringenkast.

 

DRAAGARM

Wieldraagarm.

 

DRAAGBALK

Balk met een dragende functie.

 

DRAAGGOLF

Signaal op een frequentie vanaf radiozender naar radio-ontvanger.

 

DRAAGVERMOGEN

Iedere as van een bedrijfswagen heeft een bepaald draagvermogen, dat in verband staat met de voertuigconstructie en de bandmaatvoering. Het PR-getal geeft aan, hoe hoog het draagvermogen van een band is.

 

DRAAIBANK

Apparaat , waarmee aan voorwerpen een draaiende beweging kan worden gegeven, zodat ze met verspanende werktuigen kunnen worden bewerkt.

 

DRAAICIRKEL

Komt overeen met de diameter van de cirkel, die het ‘buitenste’ gestuurde voorwiel van een auto bij maximale stuuruitslag beschrijft.

 

DRAAIEND GEDEELTE

Het draaiend gedeelte van een motor bestaat uit: het motorblok met  krukas, drijfstangen en zuigers.

 

DRAAIMOMENT

Stelsel van twee even grote maar tegenovergestelde krachten, waarvan de aangrijppunten uit elkaar liggen zodat er een draaiende beweging (draaimoment) ontstaat. SI-eenheid: newton-meter.

 

DRAAIRICHTING

Met ‘draairichting van de motor‘ wordt bedoeld: draairichting van de krukas.

 

DRAAIZUIGERMOTOR

Hierbij zijn alle op en neergaande motor onderdelen vervangen door één of meer driehoekige rotoren met licht bollende flanken. Deze zijn op een excentriekas gemonteerd.

 

DRAGER

Draagbalk.

 

DREMPEL

Bevindt zich aan beide zijde van de auto, horizontaal en in langsrichting onder de portieren en tussen voor- en achterwielen.  Is deel van de zelfdragende carrosserie.

 

DREMPELSPANNING

Een diode laat slechts in één richting elektrische stroom door. Dit gebeurt pas, nadat de spanning in doorlaatrichting een bepaalde waarde heeft bereikt. Dat is de drempelspanning.

 

DREMPELWAARDEDETECTOR

Schakeling die een wisselspanning in een blokspanning omzet. Wordt gebruikt voor de omzetting van de wisselspanning van inductiegevers in een blokspanning.

 

DREVEL

Staafvormig stuk gereedschap om iets dikkere vastzittende pennen of bouten uit hun gat te kunnen slaan.

 

DRIBBELEN

Afwisselend aan weerszijden van een auto optredende wieltrillingen in verticale richting.

 

DRIEHOEKIGE WIELDRAAGARM

Een wielophanging kan voor ieder wiel onder en boven twee driehoekige wieldraagarmen hebben. Komt voor bij sportwagens, sommige personenauto’s en oudere ‘Amerikanen’.

 

DRIELITER-AUTO

Superzuinige auto met een gemiddeld brandstofverbruik van 3 liter/100 kilometer. Zo’n auto loopt dan ongeveer 1 : 33.

 

DRIEPUNTSGORDEL

Veiligheidsgordel, die op drie punten aan de carrosserie is bevestigd. Zo’n gordel werkt automatisch. Hij geeft mee, als de inzittende zich langzaam vooroverbuigt, maar blokkeert bij remmen en plotselinge bewegingen.

 

DRIEVOLUME-AUTO

Heeft vanaf opzij gezien een omtrek, die in drie duidelijk omlijnde gedeelten is verdeeld: het motorcompartiment, het passagierscompartiment en de bagageruimte.

 

DRIEWEGKATALYSATOR

Hiermee worden uit de uitlaatgassen stikstofoxiden gereduceerd tot stikstof en zuurstof en koolmonoxide. Onverbrande koolwaterstofverbindingen worden geoxideerd tot kooldioxide en waterdamp.

 

DRIFTEN [1]

Door een auto met behulp van het gaspedaal te ‘balanceren’ kan een geoefende bestuurder een bocht abnormaal snel nemen door de achterwielen (bij achterwielaandrijving) of alle vier de wielen (bij vierwielaandrijving) zijdelings licht te laten wegslippen.

 

DRIFTEN [2]

Vorm van autosport, waarbij door geforceerd scherp insturen en volgas geven een auto met achterwielaandrijving opzettelijk met maximaal overstuur (dus zo ‘dwars’ mogelijk) door een bocht wordt gestuurd. De term ‘driften’ is feitelijk onjuist en zou eigenblijk power sliding’ moeten heten.

 

DRIJFGAS

Gas dat onder druk staat. Drijfgas wordt gebruikt om de inhoud van een spuitbus te vernevelen.

 

DRIJFSTANG

Verbindend element tussen de zuiger en de krukas. De drijfstangen drijven samen de krukas aan door de lineaire beweging van de zuiger om te zetten in een roterende beweging van de krukas.

 

DRIJFSTANGKOP

‘Dunne’ boveneinde van de drijfstang, dat door middel van de zuigerpen aan de zuiger verbonden is.

 

DRIJFSTANGLAGER

Glijlager tussen de kruktap en de drijfstang.

 

DRIJFSTANGLAGERKAP

Is met twee bouten aan de drijfstangvoet bevestigd. Drijfstangvoet en drijfstanglagerkap omklemmen samen met een glijlager de kruktap van de krukas.

 

DRIJFSTANGLAGERKAPBOUT

De drijfstanglagerkap zit met twee drijfstanglagerkapbouten aan de drijfstangvoet vast.

 

DRIJFSTANGLAGERTAP

Gedeelte van de krukas, waaromheen een drijfstanglager is aangebracht.

 

DRIJFSTANGOOG

Gat in de drijfstangkop, waar de zuigerpen doorheen steekt. Dit is soms met een glijlager (small-end lager) met de zuigerpen en zo met de zuiger verbonden. Soms zit de pen ook vast in de zuiger.

 

DRIJFSTANGVOET

‘Dikke’ onderste uiteinde van de drijfstang.  Met twee bouten is hieraan de lagerkap aan de drijfstang verbonden. Het big end omvat de krukas.

 

DRIVE-BY-WIRE

Letterlijk: aangedreven door een draad (in plaats van door een mechanisch systeem van kabels en/of stangetjes). Een goed voorbeeld is de verbinding tussen het gaspedaal en de gaskleppen.

Aandrijving met behulp van een draadje

 

DRIVEABILITY

Soepelheid.

 

DRIVER AIRBAG

Bestuurdersairbag.

 

DROGE CILINDERBUS

Staat rondom de betreffende cilinder niet in direct contact met de koelvloeistof.

 

DROGE CILINDERVOERING

Droge cilinderbus.

 

DROGEPLAATKOPPELING

Dit soort koppeling werkt in lucht en dus niet in een vloeistof. Personenauto’s hebben bijna altijd een enkelvoudige drogeplaatkoppeling.

 

DROOG

Daar waar er geen vloeistof aan te pas komt.

 

DROOGGEWICHT

Verbastering van dry weight (Engels). Bedoeld wordt gewicht (van een auto) exclusief vloeistoffen (zoals brandstof, koelvloeistof en olie).

 

DROOG IJS

Koolzuur in vaste toestand. Dit is een witte, op sneeuw lijkende stof. Het verdampt snel bij normale kamertemperatuur.

 

DROOG LUCHTFILTER

Heeft een verwisselbaar papieren filterelement. Bij meeste personenauto’s wordt de inlaatlucht door een dergelijk filter gefilterd. Gaat 10.000-50.000 kilometer mee.

 

DRUK

Druk is: kracht (in newton), gedeeld door de oppervlakte waarop die kracht werkt (in vierkante millimeter). Eenheid: pascal (hoewel bar nog algemeen wordt gebruikt).

 

DRUKDOP

Dop bovenop de radiateur, die maakt dat de druk in het koelsysteem zowel bij warme motor als bij afgezette motor blijft gehandhaafd. Bij te hoge druk gaat er een klepje in open ter bescherming van de radiateur.

 

DRUKGROEP

Onderdeel van de koppeling bestaande uit diafragmaveer en koppelingsdrukplaat. De drukgroep drukt de koppelingsdrukplaat tegen het vliegwiel, zodat deze niet kan slippen.

 

DRUKLAGER

Brengt de pedaaldruk over op de drukgroep terwijl de motor draait. Bestaat uit een lager dat over de prise-as kan schuiven en een koppelingsdrukplaat die de vingers van de drukgroep kan bedienen.

 

DRUKOMLOOPSMERING

Druksmering.

 

DRUKPLAAT

Deel van de drukgroep. Als het koppelingspedaal wordt ingetrapt, wordt de drukplaat in axiale richting tegen de koppelingsplaat aangedrukt, zodat deze in contact komt met het vliegwiel

 

DRUKMETER

Drukmeters meten uitsluitend de overdruk, dus de gemeten druk ‘bovenop’ de buitenluchtdruk. Voorbeelden: boudonbuis, oliedrukmeter, turbodrukmeter.

 

DRUKSMERING

De olie wordt door een oliepomp rondgepompt, zodat deze alle plekken in de motor bereikt waar smering nodig is. De smeerfilm tussen de bewegende delen maakt, dat die elkaar net niet raken.

 

DRUKSENSOR

Meet drukken zoals de onderdruk in inlaatspruitstuk of drukpieken in het luchtinlaatsysteem. Dankzij deze data kan het motormanagement de juiste opdrachten aan de ‘uitvoerende’ componenten geven.

 

DRUKVULLING

Kunstmatige verhoging van het gewicht van het brandstof‑luchtmengsel in de verbrandingsruimte ten opzichte van het gewicht van het mengsel van een atmosferische motor. Dit gebeurt met een compressor of een uitlaatgasturbo.

 

DRUPPELVORMING

Probleem bij motoren met benzine-inspuiting en met dieselmotoren. Verstuivers kunnen defect raken als een verstuivernaald onder druk niet meer goed sluit. Gevolg: veel motorlawaai, een slechte verbranding en uitlaatrook.

 

DRY-SUMP-SMEERSYSTEEM

Auto’s van een technisch hoog niveau hebben veelal een dry-sump-smeersysteem. Dan wordt de motorolie dus niet opgeslagen in de motor, maar elders in een apart reservoir.

 

DSC

Stabiliteitsregelsysteem.

DSG

Direktschaltgetriebe.

 

DUAL-FUEL

Meerbrandstofmotor.

 

DUALPOINT-BENZINE-INJECTIE

Dualpoint-benzine-inspuiting.

 

DUALPOINT-BENZINE-INSPUITING

Hierbij bevinden twee verstuivers zich onder elkaar in dezelfde aanzuigbuis van het luchtinlaatsysteem: de ene ter hoogte van de gasklep en de andere bij een aparte stationaire gasklep.

 

DUBBELE CARBURATEUR

Carburateur met twee aanzuigbuizen, een gemeenschappelijk carburateurhuis en een gemeenschappelijke vlotterkamer. Is een alternatief voor twee enkele carburateurs.

 

DUBBELE HOOFDREMCILINDER

Hoofdremcilinder voor de beide remkringen van een tweekringsremsysteem.

 

DUBBELLUCHT

Hierbij heeft ieder uiteinde van een aangedreven as twee banden in plaats van één. Bij een zware bedrijfswagen moeten de banden een zo groot mogelijk dragend oppervlak hebben.

 

DUBBELZIJDIGE GELIJKRICHTING

Vindt plaats met gebruikmaking van meerdere diodes. Hierbij wordt zowel de positieve als de negatieve zijde van de wisselspanning tegengehouden. In een transformator zijn twee tot vier diodes nodig.

 

DUIKEN

Verschijnsel, waarbij de voorkant van een auto in de veren ‘duikt’. Dan worden de voorwielen meer en de achterwielen minder belast, en veranderen de wielstanden.

 

DUIMSTOK

Opvouwbare houten liniaal.

 

DUMB IRONS

Uitsteeksel aan voorkant van een ouderwetse auto voor het voorste bevestigingspunt van de bladveer.

 

DUMMY

Worden als namaak-inzittende gebruikt in auto’s, die aan botsproeven worden blootgesteld. Op die manier kunnen waardevolle gegevens worden vergaard over hoe het menselijk lichaam zich onder zulke omstandigheden gedraagt.

 

DUNVLOEIBAARHEID

Weerstand van olie tegen ‘dik worden’ bij lagere temperaturen. Te dikke olie smeert immers niet naar behoren. De ideale olie behoudt onder alle temperaturen dezelfde viscositeit.

 

DUO-DUPLEX-TROMMELREMSYSTEEM

Heeft aan de bovenkant een remcilinder met twee remzuigers en aan de onderkant ook een remcilinder met twee remzuigers.

 

DUO-SERVO-TROMMELREMSYSTEEM

Heeft aan de bovenkant een dubbele wielremcilinder en aan de onderkant een bus, waarin een drukstift zich naar links en naar rechts kan verplaatsen.

 

DUPLEX-TROMMELREMSYSTEEM

Heeft aan de bovenkant een remcilinder met een eigen remzuiger en aan de onderkant ook een remcilinder met een eigen remzuiger. Elke remzuiger bedient zo een eigen remschoen.

 

DUPLOLAMP

Gloeilamp met twee gloeidraden per bolletje. Die behoren bij ongedimd groot licht plus dimlicht of bij achterlicht plus remlicht.

 

DUTY CYCLE

Bij een blokspanningssignaal het totaal van één pulstijd plus de daaropvolgende pauzetijd. Deze kan worden gemeten met een digitale multimeter.

 

DUURZAAM

Bestemd om lang voort te duren, weinig vergankelijk.

 

DUURZAME ENERGIEBRON

Duurzame energiebronnen (zoals de zon en de wind) raken nooit op. Wel zijn er grote inspanningen en investeringen nodig om deze rendabel te maken.

 

DUWSTANG

Maakt bij race-auto’s en sportwagens deel uit van de wielophanging. Aan het ene uiteinde zit hij vast aan de onderkant van de fusee, aan het andere uiteinde aan de (relatief hooggemonteerde) de veer-/schokdempereenheid.

 

DWARSBALK

Een chassis is meestal samengesteld uit langsbalken en dwarsbalken. De dwarsbalken houden de constructie bij elkaar en zorgen tevens voor de nodige stijfheid.

 

DWARSGEPLAATSTE WIELDRAAGARM

Wieldraagarm die loodrecht op de rijrichting onder de auto is aangebracht.

 

DWARSKRACHT

Staat haaks op de lengte‑as van het betreffende object, waarop die kracht wordt uitgeoefend. Bij een auto is een dwarskracht dus een kracht haaks op de rijrichting.

 

DWARSSTROOMCARBURATEUR

Hierbij wordt de inlaatlucht in horizontale richting aangezogen. Voordeel: een goede cilindervulling door zeer korte luchtinlaatleidingen. Nadeel: veel inbouwruimte nodig.

 

DWARSSTROOMCILINDERKOP

Cilinderkop, waarbij de inlaatlucht horizontaal binnenkomt. De in- en uitlaatleidingen bevinden zich tegenover elkaar, elk aan een kant.

 

DWARSSTROOMRADIATEUR

Heeft lamellen, waardoorheen de warme koelvloeistof stroomt. Loodrecht daarop stroomt koude rijwind door de radiateur heen. De rijwind neemt de warmte van de koelvloeistof op en voert deze af.

 

DWARSVERSNELLING

Versnelling in zijdelingse richting. Bij een auto treedt tijdens het bochten rijden een bepaalde dwarsversnelling op. Dit verschijnsel is afhankelijk van de centrifugale kracht en rijsnelheid.

 

DWERGAUTO

Stamt uit de jaren direct na de Tweede Wereldoorlog. Vanaf de jaren tachtig kwam dit supergoedkope type auto weer terug onder de invloed van de Japanse auto-industrie.

 

DYNAMISCH

(Hevig) in beweging zijnde.

 

DYNAMISCH BALANCEREN

Hierbij wordt dit wiel al ronddraaiend uitgebalanceerd. Dit gebeurt door op de juiste plaats balanceergewichtjes op de rand van de velg aan te brengen.

 

DYNAMISCHE LENDENSTEUN

Bij een dynamische lendensteun wordt de druk in de middelste van de drie luchtkamers voortdurend gevarieerd.

 

DYNAMISCHE VISCOSITEIT

Er zijn twee soorten viscositeit: dynamische viscositeit = kinematische viscositeit x soortelijke massa. SI-eenheid: pascal-seconde.

 

DYNAMO

Zet mechanische (door de krukas aangeleverde) energie om in elektrische energie, die in de accu wordt opgeslagen. Vandaar is deze beschikbaar voor de elektrische installatie van de auto.