B

 

 

B-DAKSTIJL

Op één na voorste dakstijl van een personenauto. De B-dakstijl is de stijl tussen het voorportier en het achterportier.

 

B-SEGMENT

Alle op de markt zijnde personenauto’s kunnen, al naar gelang de grootte, worden onderverdeeld in twaalf groepen of segmenten. In het B-segment is de kleine klasse ingedeeld (bijvoorbeeld Opel Corsa, Peugeot 207, Volkswagen Polo).

 

B-STIJL

B-dakstijl.

 

BABBITT-METAAL

Antifrictiemetaal. Legering met als basis wit tin plus sporen van antimoon, lood en koper. Wordt gebruikt voor de fabricage van glijlagers.

 

BACK-FIRING

Terugslag.

 

BADGE ENGINEERING

Een auto van een merk en type onder een ander merk en type gaan verkopen. Het enige verschil is dan de badge.

 

BAGAGERUIMTE

Geheel van het interieur afgesloten ruimte. Als dat niet zo is, dan spreekt men van laadruimte.

 

BAHCO

Verstelbare steeksleutel waarvan de bekwijdte door middel van een wormwiel kan worden versteld.

 

BAJONETSLUITING

Onderlinge bevestiging van twee voorwerpen, doordat verende pennen op het ene voorwerp in gleuven van het andere voorwerp vallen.

 

BAKELIET

Hard soort kunststof, voorloper van huidige plastics.

 

BALANCEERGEWICHT

Onbalans in een wiel kan worden gecompenseerd door tegenover het punt van onbalans één of meerdere balanceergewichtjes (meestal van lood) tegen de velgrand aan te brengen.

 

BALANCEERLOOD

Balanceergewicht.

 

BALANCEREN

Een wiel kan wordt uitgebalanceerd door tegenover het punt van onbalans balanceergewicht tegen de rand van een velg te klemmen of te plakken.

 

BALANS

In theorie is er sprake van balans, als de grip van de auto gelijkmatig is verdeeld over de vier wielen.

 

BALANSAS

Compenseert gedeeltelijk de reactiekrachten van de krukas ten opzichte van de rest van de motor. De balansas draait dus in tegengestelde richting.

 

BALANSREGELKNOP

Hiermee kan de geluidsverdeling tussen de luidsprekers van het audiosysteem afgeregeld.

 

BALG

Rubberen geplooide zak met een beschermende functie, bedoeld om ofwel vet binnenboord ofwel straatvuil buitenboord te houden.

 

BALGTHERMOSTAAT

De werking is gebaseerd op de verdamping van de daarin aanwezige ether. Deze zet uit, waardoor een klep wordt geopend die de koelvloeistof doorlaat naar de radiateur.

 

BALK

Draagbalk.

 

BALLONBAND

Band met een H/B-verhouding van 0,98. Het is de eerste band waarvan de hoogte geringer is dan de breedte. Komt overigens allang niet meer voor.

 

BALLOONING

Vorming van een waterlaagje op door ruitenwissers overgeslagen ruitdelen.

 

BAND

Oorspronkelijk had een band een aparte binnenband en diende de buitenband alleen als bescherming. Tegenwoordig is er de tubeless-band.

 

BANDAANDUIDING

Bandmaatvoering.

 

BANDBREEDTE

De breedte van een band (in opgepompte toestand) maakt deel uit van de bandmaatvoering. De gangbare eenheid is millimeter.

 

BANDENCOMPOUND

Rubbersamenstelling van het loopvlak van een band.

 

BANDENLUCHT

In lucht bevindt zich waterdamp. Als banden warm worden, zetten lucht en waterdamp uit. Dan neemt de bandenspanning iets toe.

 

BANDENPROFIEL

Bij regenval dient het bandenprofiel voor de afvoer van regenwater tussen band en wegdek. Daarvoor is een bepaalde minimum profieldiepte nodig.

 

BANDENPROFIELMETER

Uiterst simpel werktuig om zelf de diepte van het bandenprofiel te meten.

 

BANDENREPARATIESET

Modern alternatief voor het aloude reservewiel. Is alleen geschikt voor de reparatie van een kleine lekkage in de vorm van een rond gaatje.

 

BANDENSPANNING

Spanning waarmee de lucht in de band van binnenuit tegen de buitenwand van die band aandrukt. De bandenspanning is ‘warm’ is altijd wat hoger dan ‘koud’.

 

BANDENSPANNINGSCONTROLESYSTEEM

Controleert tijdens het rijden de bandenspanning van alle banden inclusief het reservewiel. Waarschuwt, als een band spanning verliest of gewoon te zacht is.

 

BANDENSPANNINGSREGELSYSTEEM

Systeem waarbij van binnenuit de bandenspanning kan worden gewijzigd.

 

BANDENSPANNINGSMETER

Meet de overdruk. 0 bar betekent: de druk in die band is even groot als daarbuiten. 2 bar betekent: er is een overdruk van 2 bar bovenop de buitenluchtdruk (ca 1 bar).

 

BANDENSPANNINGSSENSOR

Deel van een bandenspanningscontrolesysteem. Deze sensor is op het ventiel gemonteerd en wordt gevoed door een ‘eigen’ batterij.

 

BANDENTEMPERATUUR

Temperatuur van het rubber van het loopvlak van de band. Bij normaal gebruik is deze niet van groot belang.

 

BANDENVENTIEL

Een ventiel is een soort klep. Een klep laat alleen lucht naar binnen toe. Bij tubeless-banden is het ventiel luchtdicht met de velg verbonden.

 

BANDHIEL

De bandhiel centreert en klemt de band op de velg en zorgt ervoor, dat de band en de velg onderling niet verschuiven.

 

BANDKLEM

Soort steeksleutel met aan het uiteinde geen bek maar een ketting of een riem die om het oliefilter wordt gespannen om het los te draaien.

 

BANDMAATVOERING

– de bandbreedte (gemeten in millimeters),

– de hoogte-/breedteverhouding (gemeten in procenten),

– de snelheidsindex,

– het bandtype,

– de velgdiameter  (gemeten in millimeters),

– de  load index (LI).

 

BANDSLIJTAGE-INDICATOR

Bevinden zich dwars op de rijrichting in het bandenprofiel. Deze ‘ondiepten’ zie je pas, als het rubber daar tot 1,6 millimeter van de profieldiepte is afgesleten.

 

BANDTYPE

In de bandmaatvoering staat een letter, dat het bandtype aangeeft:

Zo staat D voor diagonaalband en R voor radiaalband.

 

BANDWANG

Wang.

 

BANKHAMER

Hamer met een plat en een puntig uiteinde. Bankhamers zijn er in diverse gewichten.

 

BANKSCHROEF

Hiermee kan je werkstukken op de werkbank vastzetten. De ene klauw zit aan de werkbank vast, de andere is door middel van een schroefdraadspindel verstelbaar.

 

BAROMETRISCH

Op de buitenluchtdruk betrekking hebbend.

 

BAS

Remassistentiesysteem.

 

BAS PLUS

Remassistent met iets extra’s: ‘samenwerking’ met een radarsysteem, dat andere in de buurt rijdende voertuigen registreert. Het systeem berekent dan aan de hand van die data, hoe hard er moet worden afgeremd.

 

BASIS

Grondslag, iets waarop iets anders steunt.

 

BASISGROOTHEID

Grootheid, die volgens het SI behoort bij de zeven grondeenheden: afstand, massa, tijd, elektrische stroom, temperatuur, hoeveelheid stof en lichtsterkte.

 

BASISMODEL

‘Kale’ uitvoering van een bepaald type auto, met de kleinste van de beschikbare motoren en een minimum aan accessoires.

 

BASISMOTOR

Eerste ontwerp van een serie soortgelijke motoren, in het algemeen die met de kleinste cilinderinhoud.

 

BASTAARDVIJL

Grove blokvijl met als kenmerken: een rechthoekige of blokvormige doorsnede en een bruikbare lengte van circa 300 millimeter.

 

BATTERIJ

Primair een klein-formaat accu, zoals voor een zaklamp. Soms wordt ook de accu van een auto met ‘batterij’ aangeduid.

 

BATTERIJ

Accu.

 

BATTERIJ-ONSTEKING

Accu-bobine-ontsteking.

 

BDP

Bovenste dode punt.

 

BEDRIJFSREM

Een remsysteem bestaat uit een bedrijfsrem, een noodrem en een parkeerrem. Met de bedrijfsrem kan de auto ‘gewoon’ worden afgeremd.

 

BEDRIJFSTEMPERATUUR

Temperatuur waarop motor, remsysteem en banden het best functioneren. Te koud of te warm scheelt slijtage en, in het geval van de motor, ook brandstof.

 

BEDRIJFSAUTO

Bedrijfswagen.

 

BEDRIJFSWAGEN

Auto bedoeld voor het vervoer van goederen en voor het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden. Ook bestelwagens, autobussen en campers vallen hieronder.

 

BEELDSCHERM

Middel om informatie van een elektronisch apparaat visueel weer te geven.

 

BEHUIZING

Huis.

 

BEITEL

Stalen stuk gereedschap met aan één uiteinde een wigvormige scherpe snede. Voor verschillende materialen bestaan verschillende beitels.

 

BEKRACHTIGER

Levert hulpkracht bij de bediening van het remsysteem, de stuurinrichting en/of de koppeling. Dit kan hydraulisch, pneumatisch of elektrisch.

 

BEKRACHTIGING

Systeem met een bekrachtiger als hulpkracht.

 

BEKRACHTIGINGSSPOEL

Veldspoel voor nhet opwekken van een magnetisch veld.

 

BELUCHTING

Voert lucht toe in een reservoir om daar onstane (ongewenste) onderdruk te compenseren. Zo moet een brandstoftank een beluchting hebben.

 

BENZEEN

Derivaat van aardolie. Benzeen heeft een octaangetal van meer dan 100 en is daarom heel geschikt als octaangetalverhogende anti‑klop‑additive.

 

BENZINE

De meest gebruikte brandstof voor auto’s is benzine. Dit is één van de lichtere raffinageproducten van aardolie.

 

BENZINE-CLEANER

Benzinereiniger.

 

BENZINEDAMP

Benzine in gasvorm. Hoe leger de benzinetank, des te meer wordt vloeibare benzine vervangen door benzinedamp.

 

BENZINEDAMPAFZUIGSYSTEEM

Systeem dat benzinedamp in de benzinetank opvangt. Deze wordt naar het luchtinlaatsysteem gevoerd en vandaar in het benzine-luchtmengsel opgenomen.

 

BENZINEDRUK

Druk, waarmee de benzine vanuit de benzinetank naar de verstuivers wordt gevoerd.

 

BENZINEDRUKREGELAAR

Regelt de druk, waaronder de benzine naar de verstuivers van een motor wordt gevoerd.

 

BENZINEFILTER

Bevindt zich in de toevoerleiding. Verwijdert verontreinigingen uit de benzine. Dit filter moet periodiek worden vervangen.

 

BENZINE-INJECTIE

Benzine-inspuiting.

 

BENZINE-INSPUITDRUK

Druk, waarmee de benzine door de verstuivers in de verbrandingsruimtes of de luchtinlaatleiding wordt ingespoten.

 

BENZINE-INSPUITGALERIJ

Een langwerpig vat, die vanuit de tank vol benzine wordt geperst. Vandaar lopen benzineleidingen naar de elektronische verstuivers.

 

BENZINE-INSPUITING MET GELAAGDE VERBRANDING

Brandstofinspuiting met gelaagde verbranding.

 

BENZINE-INSPUITMOMENT

Het exacte moment, waarop bij inspuitmotoren de verstuivers de benzine in de inlaatlucht of de verbrandingsruimte moeten inspuiten.

 

BENZINE-INSPUITPOMP

Regelt bij een inspuitmotor, wanneer en hoeveel benzine er per inlaatslag van een zuiger wordt ingespoten.

 

BENZINELEIDING

Maakt deel uit van het benzinetoevoersysteem. Ze hebben vaak één of meer kleppen, die automatisch dicht gaan bij plotseling inwendig drukverlies.

 

BENZINE-LUCHTMENGSEL

Brandbaar mengsel, dat is samengesteld uit benzine (voor de energie) en lucht (voor de zuurstof die nodig is voor de verbranding in de motor).

 

BENZINE-LUCHTVERHOUDING

Betreft de samenstelling van het benzine-luchtmengsel. De stoichiometrische benzine-luchtverhouding bedraagt 1,0 kilogram benzine op 14,7 kilogram lucht.

 

BENZINEMETER

Meet het benzineniveau in de benzinetank. Een variabel weerstandselement reageert op de bewegingen van een in de benzine drijvende vlotter.

 

BENZINEMOTOR

Motor met inwendige verbranding, met benzine als brandstof.

 

BENZINENEVEL

Benzinedamp.

 

BENZINE-OPVOERPOMP

Benzinepomp.

 

BENZINEPOMP

Zuig-/perspomp, die benzine vanuit de benzinetank aanzuigt en deze van daaruit naar de motor perst. De aandrijving is mechanisch of elektrisch. Wordt in dat laatste geval aangedreven via een stroomdraad en kan dus direct op of in de brandstoftank worden geplaatst (met minder kans op dampbelvorming).

 

BENZINEREINIGER

Zelf toe te voegen aan benzine. Reinigt de benzine in de tank, voordat deze door de motor wordt gebruikt. Hierdoor kan verstopping van de verstuivers worden voorkomen.

 

BENZINETANK

Hierin wordt de benzine opgeslagen, die nodig is om de motor aan te drijven.

 

BENZINETANKBELUCHTING

Als er bij verbruik van benzine geen lucht in de tank kan komen, daalt daarin de luchtdruk en ontstaat er een vacüum in de tank.

 

BENZINETANKDOP

Sluit de benzinetank van de buitenlucht af. Een benzinetankdop is afsluitbaar.

 

BENZINETANKKLEP

Carrosseriedeel, dat de benzinetankdop ‘onzichtbaar’ maakt. De benzinetankklep is afsluitbaar.

 

BENZINETANKONTLUCHTING

Als tijdens het benzine tanken de ontluchting niet werkt, stijgt de luchtdruk in de tank (overdruk).

 

BENZINETOEVOER

Bestaat uit leidingen vanaf de benzinetank tot aan de plek, waar die benzine met de inlaatlucht wordt vermengd.

 

BENZINETOEVOERDRUK

Benzinedruk.

 

BENZINETOEVOERSYSTEEM

Benzinetoevoer.

 

BENZINEVERBRUIK

De hoeveelheid benzine, die een auto per afstandseenheid verbruikt. Metingen gaan in liter/100 kilometer.

 

BENZINEVOORRAADMETER

Dashboardinstrument, die de hoeveelheid benzine in de benzinetank weergeeft.

 

BENZOL

Derivaat van aardolie. Vanwege het hoge octaangetal (meer dan 100) is benzol heel geschikt als antiklop‑additive.

 

BERGINGSVOERTUIG

Voertuig speciaal bedoeld voor het bergen van onderweg gestrande auto’s.

 

BERLINE

Tamelijk luxueuze personenauto met vier portieren en plaats voor minimaal vier personen.

 

BERMVERLICHTING

Niet-verplichte extra verlichting, die kan worden gebruikt in combinatie met ongedimd groot licht, dimlicht en mistlichten.

 

BESCHERMBALG

Een homokineet of een stuurhuis wordt tegen weglekken van smeermiddelen en steenslag en water van buitenaf beschermd door een rubberen balg.

 

BESTANDDEEL

Een lichaam (een voorwerp, een vloeistof of een gas) is samengesteld uit meerdere stoffen oftewel bestanddelen.

 

BESTELAUTO

Bestelwagen.

 

BESTELWAGEN

Kleine bedrijfswagen, vroeger meestal op basis van een personenauto maar tegenwoordig (anders dan bij een stationcar) een apart model.

 

BESTURING

Stuurinrichting.

 

BESTUURDER

Chauffeur.

 

BESTUURDERSAIRBAG

Airbag voor de bestuurder.

 

BEVRIEZING

Hierbij gaat een stof als gevolg van de afnemende temperatuur over van vloeibare toestand naar vaste toestand.

 

BEWEGINGSENERGIE

Energie die aanwezig is in alles met een zekere massa, zolang daar maar beweging in zit. Dat ‘alles’ kan variëren van een inlaatlucht tot een complete auto.

 

BEZINKSEL

Bestanddelen die zwaarder zijn dan de stof waar het deel van uitmaakt.

 

BIFUEL-MOTOR

Motor, die naar keuze op twee brandstoffen kan lopen: benzine en LPG. Een bifuel-motor is in principe een aangepaste benzinemotor.

 

BIG-BLOCK ENGINE

There’s no substitute for cubic inches.’ In Amerika is een big-block engine een motor met een cilinderinhoud van minimaal zeven liter.

 

BIG END

Drijfstangvoet.

 

BIMETAAL

Twee op elkaar bevestigde metalen strippen met een verschillende uitzettingscoëfficiënt. Gaan bij verwarming ten opzichte van elkaar krom staan.

 

BINDMIDDEL

Zorgt in tweecomponentenlak voor de binding tussen de beide componenten van die lak. Alleen een oplosmiddel kan het bindmiddel oplossen.

 

BINNENBAND

Vroeger hadden banden een aparte binnenband en buitenband. Zo’n binnenband is gemaakt van dun rubber, omdat hij flexibel moet zijn.

 

BINNENSCHROEFDRAAD

Schroefdraad aan de binnenkant van een moer (voor een bout) of aan de binnenkant van een gat in een voorwerp (voor een bout of  schroef).

 

BIOBRANDSTOF

Algemene term voor brandstof, die is vervaardigd uit biocomponenten.

 

BIOCOMPONENT

Component of onderdeel, vervaardigt uit biomassa (zoals bio‑methanol).

 

BIO‑ETHANOL

Ethanol, die is vervaardigd uit biomassa. E85 is een alternatieve brandstof, die voor 85 % uit bio-ethanol en voor 15 % uit benzine. bestaat.

 

BIOLOGISCH AFBREEKBAAR

Zichzelf tot natuurlijke componenten reducerend door de inwerking van de ‘eigen’ bacterieën. Belangrijke eigenschap bij het zoeken naar alternatieve brandstoffen.

 

BIOMASSA

Is afkomstig uit biologisch afval, voor consumptie geteelde gewassen en voor gebruik als brandstof geteelde gewassen.

 

BIOMETHANOL

Alternatieve brandstof, afkomstig uit biomassa.

 

BIO-WEAPON DEFENCE-KNOP

Knop op het dashboard, waarmee de bestuurder in geval van een biochemische aanval de luchtdruk in de auto kan verhogen om zo gevaarlijke stoffen buiten de auto te houden.

 

BISTABIELE MULTIVIBRATOR

Multivibrator met twee ingangen en één uitgang. Toegepast als geheugenelement in computers en in de waarschuwingsverlichting van autobussen.

 

BIXENONLAMP

Als bij een auto zowel gedimd groot licht als ongedimd groot licht zijn voorzien van xenonlampen, dan spreekt men van bi-xenon-koplampen.

 

BLAAR

Plek op het loopvlak van een band waarin plaatselijk grote oververhitting is opgetreden, meestal door een geblokkeerd wiel.

 

BLAASGASSEN

Bij koude motor of versleten zuigerveren langs de zuiger naar het motorcarter lekkende verbrandingsgassen.

 

BLAASVORMING

Komt mogelijk voor in een verse laklaag. Oorzaken: van water of handen afkomstige zouten, ingesloten lucht, vocht onder de afdeklaklaag of lakschade.

 

BLACK BOX [1]

‘Tracking and tracing’-systeem op basis van GPS om bij auto’s kilometeradministratie te kunnen voeren.

 

BLACK BOX [2]

Populaire benaming voor een elektronische component waarvan de werking niet duidelijk is.

 

BLACK-PANEL DASHBOARD

Dashboard dat ’s nachts is verduisterd (om het nachtzicht van de bestuurder niet te hinderen) en alleen oplicht als bestuurder dat wenst.

 

BLACK SLUDGE

Teerachtige substantie, die zich vanuit de motorolie in het inwendige van de motor kan vastzetten. Bestaat uit verbrandingsresten, water en verzeepte olie.

 

BLADVEER

Oudste vorm van vering. Bestaat uit een stapel onder voorspanning gekromde veerbladen, die bij elkaar worden gehouden door een torenbout en veerstroppen.

 

BLADVEERPAKKET

Stapel veerbladen, die bij elkaar worden gehouden door een torenbout (in het midden) en veerstroppen (aan de uiteinden).

 

BLINDKLINKNAGEL

Deze werd ontwikkeld voor de vliegtuigbouw. Een blindklinknagel onderscheidt zich van een gewone klinknagel, doordat deze vanaf één kant in een gat kan worden aangebracht.

 

BLOKHOEK

Hoek tussen twee naast elkaar staande cilinderrijen van een V-motor. De blokhoek van een V‑motor is meestal 60‑90 graden.

 

BLOKSPANNING

Een vorm van gelijkspanning, die op een digitale multimeter in rechthoekige blokken zichtbaar is. Hiervan is sprake bij werkende knipperlichten.

 

BLOKVIJL

Vijl met een rechthoekige of blokvormige doorsnede en een bruikbare lengte van circa 300 millimeter. Ze zijn er in de soorten grof, middel en fijn.

 

BLOW-BY-GASSEN

Blaasgassen.

 

BLOWER

Aanjager.

 

BLUEPRINTING

Bouw van een motor met exact even zware onderdelen als zuigers en drijfstangen, met de kleinst mogelijke toleranties en de grootst mogelijke balans en precisie.

 

BLUETOOTH

Systeem dat word gebruikt bij het handsfree bellen. Kan, meer algemeen, een draadloze verbinding volgens een bepaald protocol onderhouden tussen elektronische apparaten met een onderlinge afstand van maximaal 100 meter.

 

BNC-STEKKER

Steekcontact, een onderdeel aan het uiteinde van een elektrische leiding. Met behulp van een bajonetsluiting kan die elektrische leiding met een stekkerdoos worden verbonden.  Deze geeft toegang tot een grotere elektrische installatie. BNC (Bayonet-Neill-Concelman) is de merknaam.

 

BOBINE

Transformator van de ontsteking. Verandert  laagspanning in hoogspanning. Deze is nodig is om aan de bougie-elektroden vonken op te wekken.

 

BOBINEBLOK

Tegenwoordig heeft elke cilinder van een motor vaak zijn ‘eigen’  bobine. Soms zijn deze bobines samengebouwd tot een bobineblok.

 

BOBINEKABEL

Kabel vanaf de bobine naar de stroomverdeler.

 

BOBINE-ONTSTEKING

Normale ontsteking met een accu (of een batterij) en een bobine.

 

BOCHTVERLICHTINGSREGELSTEEM

Hierbij draaien de ‘binnenbochtkoplamp’ of beide  koplampen bij het ingaan van een bocht automatisch in de rijrichting.  Als het stuurwiel wordt verdraaid, ‘voorspelt’ het systeem aan de hand de stuurhoek hoe de bocht zal gaan verlopen en stelt de koplampstand daar op in.

 

BODEMBESCHERMINGSPLAAT

Voorkomt bij een auto met geringe bodemspeling, dat het motorcarter met het wegdek in aanraking komt.

 

BODEMGROEP

Stelsel van staalprofielen en plaatwerk, dat samen met de daar nog aan vast te lassen bovenbouw de zelfdragende carrosserie vormt.

 

BODEMPLAAT

Deel van een zelfdragende carrosserie. De bodemplaat is de ‘bodem’  van de auto.

 

BODEMSPELING

Bij stilstand opgemeten afstand tussen het onderste punt van een auto (afgezien van de wielen) en het wegdek. De variabele bodemspeling (tijdens het rijden) heet rijhoogte.

 

BODEMVRIJHEID

Bodemspeling.

 

BODY

Carrosserie.

 

BODY ROLL

Rolneiging van de afgeveerde massa om de lengte-as van de auto op het moment dat de auto een bocht doorrijdt.

 

BODY STRIPING

Op de carrosserie gelakte of geplakte sierstrepen.

 

BOGEY

Aanhangwagen voor het transport van bomen.

 

BOGIE

Wielstel van vrachtwagen met twee of drie assen.

 

BOGIE-LIFT

Hefinrichting  waarmee de sleepas van een tandemstel zodanig kan worden opgetild dat de wielen daarvan het wegdek niet meer raken. Bij lichte belading is zo’n sleepas niet meer nodig. Op deze manier scheelt het bandenwrijving (dus ook bandenslijtage) en het is gunstig voor het brandstofverbruik..

 

BANKHAMER

Hamer met één platte en één bolronde kop. De bolbankhamer is daarom zeer geschikt voor het bewerken van staalplaat.

 

BOORDCOMPUTER

Dashboardinstrument, dat via een display de bestuurder informeert over de tijd, de afgelegde afstand, de reistijd, de gemiddelde snelheid, de buitentemperatuur en het momentele en totale brandstofverbruik.

 

BOORDDIAGNOSESYSTEEM

Boordsysteem, dat een storing in de vorm van een foutcode vastlegt. Het gaat hierbij vooral om de bewaking van uitlaatgasgerelateerde componenten en systemen (OBD).

 

BOORDGEREEDSCHAP

Gereedschap, dat in de auto wordt meegevoerd en waarmee onderweg kleine reparaties kunnen worden uitgevoerd.

 

BOOST [1]

Versterking van het geluid uit de radio.

 

BOOST [2]

Verhoging van de vuldruk van een uitlaatgasturbo.

 

BOOST DRIVE

Elektronische overdrukklep voor een maximum turbodruk bij een gegeven toerental.

 

BOOSTER

Levert hydraulische, pneumatische of elektrische/elektronische hulpkracht bij de bediening van het remsysteem, de stuurinrichting en/of de koppeling en/of het versterken van geluid.

 

BORGBOUT

Bout waarvan de bijbehorende moer is geborgd en zich dus niet kan loswerken. Het borgen geschiedt door een kunststofring of een kroonmoer met een splitpen.

 

BORGEN

Iets vastzetten en met een hulpmiddel zoals een splitpen of een chemisch borgmiddel zorgen dat het onmogelijk kan losraken.

 

BORGMOER

Moer met aan de binnenkant een kunststofring of een vervormbaar metalen deel, dat ervoor zorgt dat de moer niet van de bout kan losraken.

 

BORGPEN

Metalen pen bestaande uit twee parallelle staafjes, die in een gat dwars in de schacht van een bout kunnen worden gestoken en dan uit elkaar te buigen.

 

BORGVEER

Veer, die verhindert dat het aldus geborgde onderdeel los kan raken.

 

BORING

Diameter van een cilindrisch gat. Zo’n rond gat kan variëren van een boutgat tot het gat voor een zuiger van een motor.

 

BORING-/SLAGVERHOUDING

Verbrandingsmotoren kunnen naar boring-/slagverhouding worden ingedeeld: korteslagmotor, vierkante motor en langeslagmotor.

 

BORING x SLAG

Basismaten (niét de cilinderinhoud) van een motor. Eigenlijk is dit onzin, want je kan de boring niet met de slag vermenigvuldigen. Boring en slag zou beter zijn.

 

BOTSHOEK

Hoek waaronder een auto met iets in botsing komt.

 

BOTSINGSENERGIE

Arbeidsvoorraad, die zich in ieder bewegend lichaam bevindt. Bij een botsing wordt deze vorm van energie in één klap’ omgezet in botsingsenergie.

 

BOTSINGSSENSOR

Aanrijdingssensor.

 

BOTSINGSWAARSCHUWINGSSYSTEEM

Radargestuurd of sensorgestuurd systeem dat de bestuurder waarschuwt voor een dreigende botsing.

 

BOTSPROEF

Methode om de passieve veiligheid van nieuwe automodellen te testen. Daarbij moet de opgelopen schade aan bepaalde normen voldoen.

 

BOTTOMING

Ongewenst contact tussen de onderkant van een rijdende auto en de grond.

 

BOUGIE

Deel van de elektrische installatie. Tussen de elektroden wordt in de verbrandingsruimte elektrische stroom omgezet in een vonk.

 

BOUGIE-ELEKTRODE

Een bougie heeft aan het in de verbrandingsruimte stekende uiteinde twee elektrodes, waartussen vóór elke arbeidsslag een vonk overspringt.

 

BOUGIEKABEL

Zorgt voor de stroomoverdracht vanaf de verdelerkap op de stroomverdeler naar de bougies. Iedere cilinder heeft zijn ‘eigen’ bougiekabel.

 

BOUGIEKAP

Kap op het uit de motor stekende deel van de bougie. Deze beschermt de bevestiging van de bougiekabel op de bougie tegen vocht en vuil. Voorkomt overspringen van de vonk naar andere delen van de motor.

 

BOUGIESLEUTEL

Speciaalgereedschap, waarmee bougies kunnen worden los- en vastgedraaid. Deze bevinden zich vaak op moeilijk bereikbare plaatsen bovenin de motor.

 

BOUNCE [1]

Stuiterende beweging van een auto op een hobbelig wegdek.

 

BOUNCE [2]

Zwevende kleppen, die dan immers ook een stuiterende beweging maken.

 

BOUND-UP LOAD

Spanning in de aandrijflijn, als een auto met sperdifferentieel door een bocht rijdt.

 

BOURDONBUIS

Mechanische drukmeter. Deze maakt deel van de ABS en meet het drukverschil tussen de vloeistofdruk in het remsysteem en de buitenluchtdruk.

Vernoemd naar de uitvinder, Eugène Bourdon (Frankrijk, 1849)

 

BOUT

Anders dan bij een schroef heeft een bout ter bevestiging een moer nodig. Verder is een bout voorzien van een kop zonder zaaggleuf of kruisgleuf.

 

BOUTKOP

Bovenste uiteinde van een bout.

 

BOUTKRAAG

Brede rand aan de onderkant van de boutkop.

 

BOUTSOLDEREN

Solderen met behulp van een soldeerbout.

 

BOUWJAAR

Jaar waarin een auto werd gebouwd. Dat hoeft dus niet het jaar te zijn, waarin die auto werd afgeleverd.

 

BOVENCARTER

Bovenste helft van het carter. Dat is het motorgedeelte met de cilinders, de krukas, de drijfstangen en de zuigers.

 

BOVENLIGGENDE NOKKENAS

Nokkenas bovenin de cilinderkop van de motor. Dan zijn er geen stoterstangen nodig om de afstand tussen de nokkenas en de kleppen te overbruggen.

 

BOVENSTE DODE PUNT

Op dit punt beëindigt de zuiger van een draaiende motor de omhooggaande slag en begint hij aan de neergaande slag.

 

BOWDENKABEL

Stalen bedieningskabel, die vrij kan bewegen in een beschermende, niet meebewegende buitenkabel. Deze kan in bochten worden gelegd en geleidt zo de beweegbare binnenkabel.

 

BOXERMOTOR

Benzinemotor met ‘liggende’ cilinders. Daarin bewegen de zuigers horizontaal én in tegengestelde richting. Iedere drijfstang heeft een eigen kruktap.

 

BRAAM

Gekarteld opstaand randje. Dit ontstaat om de sneden bij verspanende metaalbewerkingen zoals boren, frezen en zagen.

 

BRAKE ASSIST

Remassistent.

 

BRAKE-BY-WIRE

Remmen met behulp van een draad. Het commando tot remmen wordt hierbij niet meer hydraulisch (‘via’ de remvloeistof in het remsysteem) maar elektronisch overgebracht.

 

BRAKE-ENERGY REGENERATION

Energieregeneratie.

 

BRAKE FADE

Geleidelijke verdwijning van remwerking door oververhitting van remblokken/remvoeringen bij langdurig ononderbroken gebruik van de remmen.

 

BRAKE FADING

Brake fade.

 

BRAND

Veroorzakers van brandlucht kunnen zijn: kortsluiting, een overbelast remsysteem, een slippende koppeling, gemorste olie, een gloeiend hete katalysator en lakresten op een uitlaatpijp.

 

BRANDBLUSSYSTEEM

Gepantserde auto.

 

BRANDSTOF

Brandstof bevat brandstofenergie. Deze wordt binnen in de motor door verbranding omgezet in mechanische energie. Daardoor kan de auto rijden.

 

 

BRANDSTOFBEHOEFTE

Verbrandingsmotoren kunnen worden ingedeeld naar brandstofbehoefte: benzinemotor, dieselmotor, gasmotor en LPG-motor.

 

BRANDSTOFCEL

Apparaat dat waterstof met behulp van zuurstof omzet in water. Daarbij komt elektriciteit vrij, die kan worden gebruikt voor de aandrijving van een elektromotor, dus (op de lange termijn) ook van een auto.

 

BRANDSTOFDAMP

Gasvormige toestand van een normaalgesproken vloeibare brandstof. Hoe leger de tank, des te meer wordt de vloeibare brandstof vervangen door brandstofdamp.

 

BRANDSTOFDAMPAFZUIGSYSTEEM

Vangt de brandstofdamp op in de brandstoftank. De damp wordt naar het luchtinlaatsysteem gevoerd en vandaar in het brandstof-luchtmengsel opgenomen.

 

BRANDSTOFDRUK

Druk, waarmee de brandstof vanuit de brandstoftank naar de verstuivers wordt gevoerd. Deze wordt meestal geregeld door de onderdruk in het inlaatspruitstuk.

 

BRANDSTOFDRUKREGELAAR

Regelt bij een motor met brandstofinspuiting de druk, waaronder de brandstof naar de verstuivers wordt gevoerd.

 

BRANDSTOFFILTER

Bevindt zich in de brandstofleiding en verwijdert daar verontreinigingen uit de brandstof. Moet worden vervangen om de 20.000-100.000 kilometer.

 

BRANDSTOFINJECTIE

Brandstofinspuiting.

 

BRANDSTOFINSPUITING

Hierbij wordt de brandstof bij de vorming van het brandstof‑luchtmengsel in vloeibare vorm in de inlaatlucht of de verbrandingsruimte verstoven en er zo vermengd.

 

BRANDSTOFINSPUITING MET GELAAGDE VERBRANDING

Verbranding, die zich laag voor laag verplaatst, waarbij de brandstof-luchtverhouding steeds verder afneemt (dus steeds armer wordt).

 

BRANDSTOFKEUZESCHAKELAAR

Bevindt zich op het dashboard van een zowel op benzine als LPG lopende auto. Stand G (gas): benzinetoevoer onderbroken. Stand B (benzine): gastoevoer onderbroken.

 

BRANDSTOFLEIDING

Alle leidingen die brandstof aan- en afvoeren van de brandstoftank naar de motor en terug. Deze hebben vaak één of meer kleppen, die zichzelf bij plotseling drukverlies afsluiten.

 

BRANDSTOF-LUCHTMENGSEL

Motoren verbranden een brandbaar mengsel, dat is samengesteld uit brandstof (voor de energie) en lucht (voor de zuurstof). Dit heet het brandstof-luchtmengsel. Een arm brandstof-luchtmengsel bevat relatief weinig brandstof en veel lucht, een rijk mengsel juist omgekeerd.

 

BRANDSTOF-LUCHTVERHOUDING

Bij een brandbaar mengsel: verhouding tussen pure brandstof en pure zuurstof. Ideaal bij een benzinemotor is 1,0 kilogram brandstof : 14,8 kilogram lucht.

 

BRANDSTOFMETER (BRANDSTOFNIVEAUMETER)

Meet het brandstofniveau in de brandstoftank. Een variabel weerstandselement in de tank reageert op de bewegingen van een in de brandstof drijvende vlotter.

 

BRANDSTOFNEVEL

Brandstofdamp.

 

BRANDSTOFNIVEAUMETER

Brandstofmeter.

 

BRANDSTOFOPVOERPOMP

Brandstofpomp.

 

BRANDSTOFPOMP

Pomp die brandstof vanuit de brandstoftank aanzuigt en vandaar naar de motor perst. Moderne auto’s hebben in de tank een elektrische brandstofpomp.

 

BRANDSTOFSYSTEEM

Systeem dat de brandstof (tegenwoordig langs elektronische weg) vanaf de brandstoftank voert naar de plek waar deze met de inlaatlucht wordt vermengd.

 

BRANDSTOFTANK

Hierin wordt de brandstof opgeslagen, die nodig is om de motor aan te drijven. Brandstof is brandgevaarlijk. Daarom is de brandstoftank in structureel opzicht zo veilig mogelijk in de auto ingebouwd.

 

BRANDSTOFTANKBELUCHTING

Toe- en afvoer van lucht in de brandstoftank. Als er in plaats van brandstof geen lucht in de tank kan komen, daalt de luchtdruk in de tank. Dan wordt deze via deze leiding belucht.

 

BRANDSTOFTANKDOP

Sluit de brandstoftank van de buitenlucht af. Als de auto geen afsluitbare brandstoftankklep heeft, is de brandstoftankdop afsluitbaar.

 

BRANDSTOFTANKKLEP

Carrosseriedeel dat de brandstoftankdop ‘onzichtbaar’ maakt. Als de auto een afsluitbare brandstoftankklep heeft, hoeft de brandstoftankdop dat niet te zijn.

 

BRANDSTOFTANKONTLUCHTING

Afvoer van lucht uit de brandstoftank. Bij het vullen van de brandstoftank moet de daarin aanwezige lucht plaats maken voor brandstof. Als de ontluchting niet werkt, stijgt de luchtdruk in de tank.

 

BRANDSTOFTOEVOERDRUK

Brandstofdruk.

 

BRANDSTOFTOERVOERLEIDING

Brandstofleiding.

 

BRANDSTOFTOERVOERSYSTEEM

Brandstofsysteem.

 

BRANDSTOFVERBRUIK

Hoeveelheid brandstof, die een auto per afstandseenheid verbruikt. Het brandstofverbruik wordt gemeten in liter/100 kilometer.

 

BRANDSTOFVERDAMPING

Brandstof bestaat uit lichte fracties van aardolie en verdampt dus. Zo ontwijken vanuit de brandstoftank lichte koolwaterstofverbindingen naar de buitenlucht.

 

BRANDSTOFVERDAMPINGSREGELSYSTEEM

Beperkt de emissie via de brandstoftank van lichte koolwaterstofverbindingen.

 

BRANDSTOFVERSTUIVER

Eerst wordt de brandstof onder druk naar de brandstofverstuivers geleid en vandaar door kleine gaatjes in de inlaatlucht verstoven.

 

BRANDSTOFVOORZIENING

Leiding vanaf de brandstoftank tot  de plek waar die brandstof met de inlaatlucht wordt vermengd.

 

BREAK

Onderscheidt zich van een gewone stationcar door een ‘hoge’ achterkant en een in het dak scharnierende achterklep.

 

BREEDSTRALER

Extra verlichtingsbron met een laag gehouden brede lichtbundel. Breedstralers mogen alleen worden gebruikt, als het voeren van gedimd groot licht gerechtvaardigd is.

 

BREEDTELICHT

Is gemonteerd op elke hoek van een vrachtwagen of aanhangwagen en geeft de breedte van het betreffende voertuig aan.

 

BREUK

Permanente verbreking van de samenhang van het materiaal. Breuk komt ná buiging en knik.

 

BREUKTAAIHEID

Maximumspanning in een stof, die op een bepaalde plaats nog net geen aanleiding geeft tot verdere uitbreiding van een scheur tot een breuk.

 

BROEIKASEFFECT

De zonnestraling warmt de aarde op. In de atmosfeer is onder meer kooldioxide aanwezig. Zonnestralen kunnen daar doorheen dringen, de door de aarde uitgezonden warmtestraling niet.

 

BROS

Hard aanvoelend en toch gemakkelijk breekbaar.

 

BUBBLE CAR

Dwergauto.

 

BUGGY

Kit car op basis van de Volkswagen Kever. Tegenwoordig worden hiervoor overigens ook de platforms van andere kleine personenauto’s gebruikt.

 

BUIGING

Door een rechte stang te verbuigen kan deze een hoekig uiterlijk aannemen. Na ontlasting neemt hij – anders dan bij knik of breuk – weer zijn oorspronkelijke vorm aan.

 

BUIGTANG

Is geschikt om draad om te buigen. Er zijn er met een platte bek (voor het buigen onder scherpe hoeken) en een ronde bek (voor het buigen onder ronde hoeken).

 

BUIS

Pijp, bestemd om daar gassen of vloeistoffen doorheen te leiden of om verstevigingen of zelfs hele buizenchassis mee te fabriceren.

 

BUITENBAND

Vroeger hadden alle banden een aparte binnenband en buitenband. Die moest de kwetsbare binnenband beschermen. Tegenwoordig hebben alle auto’s tubeless-banden.

 

BUITENLUCHTDRUK

Bestaat door de kracht, waarmee de atmosfeer op de aarde drukt (1.013,25 millibar). Bij metingen met de buitenluchtdruk als uitgangspunt is dit het nulpunt.

 

BUITENLUCHTTEMPERATUUR

Als de buitenluchttemperatuur afneemt, doet de inlaatluchttemperatuur dat ook. Voordeel: dan past er meer inlaatlucht in de verbrandingsruimtes.

 

BUITENSCHROEFDRAAD

Schroefdraad aan de buitenkant van een schroef.

 

BUITENSPIEGEL

Gewenst (en soms zelfs verplicht, als het zicht via de binnenspiegel wordt belemmerd) om de situatie ter hoogte van de flanken van de auto te kunnen beoordelen.

 

BUIZENCHASSIS

Driedimensionaal geordend vakwerk van stalen of lichtmetalen buizen. Voordelen: laag gewicht, laag zwaartepunt en grote weerstand tegen torsie en buiging.

 

BUMP STEER

Hierbij verandert de sporing van de voorwielen van toespoor tot uitspoor en weer terug. Dit is slecht voor de wegligging en moet dus worden vermeden.

 

BUMP STOP

Veerbegrenzer.

 

BUMPER

Vroeger bedoeld om de carrosserie af te schermen tegen lichte ongevalsschade. Tegenwoordig zijn ze meestal van kunststof en in de carrosserie geïntegreerd.

 

BURN-OUT

Acceleratie met overdreven doorspinnende wielen, met de expliciete bedoeling om de banden te laten roken.

 

BUS [1]

Autobus.

 

BUS [2]

Stalen voering in het cilinderblok, waarin de zuiger op en neer gaat.

 

BUS [3]

In de elektronica: kabel waarlangs de centrale computer digitale boodschappen verstuurt.

 

BUSJE

Een bus is een bedrijfswagen met minimaal acht personen (de bestuurder niet meegerekend). Een busje (spreektaal) heeft minder zitplaatsen, maar is weer te groot om een ‘gewone’ personenauto genoemd te kunnen worden.

 

BUSSED ELECTRICAL CENTRE

ECU waarvan de bedrading in kabelgoten is aangebracht.

 

BUTAAN

Koolwaterstofverbinding. LPG bestaat uit een combinatie van butaan en propaan. In theorie is puur propaan ’s winters de ideale brandstof voor automotoren.

 

BYPASS

Omleiding in de zin van: leiding die parallel loopt aan een hoofdleiding.

 

BYPASS-KLEP

Klep die in geopende toestand een vloeistof of gas (lucht) parallel aan een doorstroomleiding doorlaat.

 

BYPASS-LEIDING

Parallelleiding.

 

BYPASS-LUCHTREGELKLEP

Deel van het bypass-luchtregelsysteem. Past de inlaatluchtvoorziening en dus het stationaire motortoerental aan, als dit vanwege te veel elektrische verbruikers zakt.

 

BYPASS-LUCHTREGELSYSTEEM

Werkt parallel aan het luchtinlaatsysteem. De bijbehorende bypass-luchtregelklep speelt een belangrijke rol bij de vorming van het brandstof-luchtmengsel.

 

BYPASS-OLIEFILTER

Paralleloliefilter.