A

 

 

A

In de vorm van de letter A.

 

 

A-ARM

Driehoekige wieldraagarm.

 

 

A-DAKSTIJL

Voorste dakstijl van een personenauto. De A-dakstijl bevindt zich tussen de voorruit en het voorste portier.

 

 

A-SEGMENT

Alle op de markt zijnde personenauto’s kunnen, al naar gelang de grootte, worden onderverdeeld in twaalf groepen of segmenten. In het A-segment zijn de mini-auto’s ingedeeld (bijvoorbeeld Fiat 500, Kia Picanto, Toyota Aygo).

 

 

A-STIJL

A-dakstijl.

 

 

A-VORMIGE WIELDRAAGARM

Een wielophanging heeft per wiel onder en boven twee A-vormige wieldraagarmen. Komt voor bij sportwagens, sommige personenauto’s en oudere ‘Amerikanen’.

 

 

AANDRIJFAGGREGAAT

Meerdere, aan elkaar gekoppelde componenten, die samen een apparaat aandrijven. Bijvoorbeeld: een stationaire motor gekoppeld aan een pomp.

 

 

AANDRIJFAS

Brengt de aandrijfkracht over van de motor via de versnellingsbak naar één van de aangedreven wielen.

 

 

AANDRIJFFLENS

Flens aan het uiteinde van een aandrijfas om een afschroefbare verbinding tussen die as en een aangedreven wiel te maken.

 

 

AANDRIJFKANT

Bij een motor is dit de kant vanwaar de wielen worden aangedreven.

 

 

AANDRIJFKOPPEL

Resultaat van twee gelijke tegengestelde krachten met een tussenruimte op een as (vectorgrootheid). Koppel = kracht x arm. De SI-eenheid is newton-meter.

 

 

AANDRIJFKRACHT

Kracht waarmee een motor een auto of een aggregaat aandrijft.

 

 

AANDRIJFLIJN

Verzamelnaam voor alle componenten, waarlangs aandrijfkracht wordt overgebracht.

 

 

AANDRIJFMOMENT

Resultaat van twee gelijke tegengestelde krachten met een tussenruimte op een as (vectorgrootheid). Moment) = kracht x arm. De SI-eenheid is newton-meter.

 

 

AANDRIJFRICHTING

Bij het gasgeven lopen de aandrijfkrachten vanaf de motor naar de aangedreven wielen. Als er op de motor wordt afgeremd, wordt de aandrijfrichting omgedraaid.

 

 

AANDRIJFRIEM

Distributieriem,  V-riem of multi-V-riem, gemaakt van gewapend rubber. Voorzien van een bepaald (dwars)profiel dat precies past in de poelies waar hij overheen loopt. Brengt aandrijfkrachten over en wordt bij een automotor vrijwel altijd door de krukas aangedreven.

 

 

AANDRIJFTREIN

Aandrijflijn.

 

 

AANDRIJFZIJDE

Aandrijfkant.

 

 

AANDRIJVING

Vormen van aandrijving bij een auto: voorwielaandrijving, achterwielaandrijving en vierwielaandrijving.

 

 

AANGRIJPINGSHOEK

Hoek waaronder een kracht (of de resultante van meerdere krachten) op een lichaam werkt.

 

 

AANGRIJPINGSPUNT [1]

Punt waarop de koppeling (het best merkbaar vanuit stilstand)  ‘aangrijpt’ en de auto begint te rollen. Een koppelingspedaal heeft altijd een zekere vrije slag waarbinnen niets gebeurt.

 

 

AANGRIJPINGSPUNT [2]

Punt waarin een kracht (of de resultante van meerdere krachten) op een lichaam werkt.

 

 

AANHAALKOPPEL

Voorgeschreven koppel (kracht x arm) om bijvoorbeeld de cilinderkop mee vast te draaien. SI-eenheid: newton-meter.

 

AANHAALMOMENT

Voorgeschreven moment (kracht x arm) om bijvoorbeeld de cilinderkop mee vast te draaien. SI-eenheid: newton-meter.

 

AANHAALSPANNING

Spanning waarmee een bout of moer wordt aangedraaid. Kan afgezien van een aanhaalmoment ook nog bijvoorbeeld een kwartslag extra zijn.

 

AANHAALVOLGORDE

Noodzakelijke volgorde van aandraaien van bouten of moeren bij de montage van een bijvoorbeeld een wiel of cilinderkop.

 

AANHANGWAGEN

Getrokken voertuig zonder eigen aandrijfbron.  Zolang een aanhangwagen minder dan 750 kilogram weegt, hoeft hij geen eigen remsysteem te hebben.

 

AANHANGWAGENCOMBINATIE

Combinatie van een trekkend voertuig (bijvoorbeeld een auto) en een getrokken voertuig (bijvoorbeeld een aanhangwagen).

 

AANJAGER

Apparaat dat dat lucht in beweging brengt, variërend van een compressor tot een ventilator.

 

AANLOOPKLEUR

Kleur die een onedel metaal aanneemt als het wordt verhit.

 

AANLOOPWRIJVING

Wrijving die ontstaat tijdens de overgang van stilstand naar beweging.

 

AANRAKINGSHOEK

Hoek van een aandrijfriem ten opzichte van de poelie, waar hij overheen loopt.

 

AANRIJDINGSSENSOR

Of botsingssensor. Maakt deel uit van een airbagsysteem. Deze sensor registreert plotselinge vertragingen van de auto, zoals tijdens een botsing.

 

AANSLAAN

Moment van aanslaan: moment waarop de krukas niet meer wordt aangedreven door de startmotor maar door de verbranding boven

de zuigers.

 

AANSLAG

Stootrand of stootblok. Heeft tot taak om een onderdeel in zijn beweging te beperken of zelfs tegen te houden.

 

AANSLAGRUBBER

Veerbegrenzer.

 

AANSPREEKTIJD

Tijd tussen het moment dat je een systeem activeert en het moment waarop dat systeem daarop reageert.

 

AANTREKKINGSKRACHT

Kracht waardoor een vrij vallend lichaam naar beneden (dus naar de grond toe) valt.

 

AANVRETEN

Vreten.

 

AANZETWEERSTAND

Weerstand die een stilstaande auto ondervindt op het moment, dat hij in beweging komt.

 

AANZUIGBUIS

Of aanzuigleiding. Bij een atmosferische motor: deel van het  inlaatsysteem. Hierlangs zuigen de dalende zuigers lucht naar de verbrandingsruimte.

 

AANZUIGKANT

Bij een atmosferische motor: de kant waar het inlaatspruitstuk zich bevindt.

 

AANZUIGLEIDING

Aanzuigbuis.

 

AANZUIGLUCHT

Inlaatlucht die door een atmosferische motor wordt aangezogen.

 

AANZUIGSLAG

Bij atmosferische motoren: gelijk aan de inlaatslag.

 

AANZUIGZIJDE

Aanzuigkant.

 

AANZWENGELEN

Vroeger kon je een motor aan het draaien brengen door met een zwengel de krukas rond te draaien. De elektrische startmotor maakte deze handeling overbodig.

 

AARDE

Aarde is in de auto-elektriciteit de 0-waarde van de elektrische stroomkring. De elektriciteit vloeit via de elektrische component naar aarde, de minpool van de accu.

 

AARDEN

Een verbinding aanleggen naar de aarde, die is verbonden met de minpool van de accu. Aarde is in de auto-elektriciteit de 0-waarde van de elektrische stroomkring.

 

AARDGAS

Mineraal gas (ook bekend als LNG) dat tot vloeistof kan worden gecomprimeerd. De belangrijkste bestanddelen zijn koolwaterstofverbindingen zoals methaan, propaan en butaan.

 

AARDGASCONDENSAAT

Product van tot vloeistof gecondenseerd aardgas.

 

AARDOLIE

Olie zoals die onbewerkt uit de grond komt. Dit is de grondstof van alle fossiele brandstoffen zoals benzine,dieselbrandstof, LPG, kerosine, petroleum en stookolie.

 

AARDVERBINDING

Aarde.

 

ABS

Antiblokkeerremsysteem.

 

ABS PLUS

In een doorontwikkelde uitvoering houdt ABS qua remgedrag rekening met de ondergrond. In sommige situaties staat een auto met geblokkeerde wielen eerder stil dan met gebruikmaking van een reguliere ABS.

 

ABS-CONTROLELICHT

Waarschuwt de bestuurder als de ABS niet meer werkt.

 

ABS-REGELEENHEID

Verlaagt de remdruk bij een wiel, als een sensor aangeeft dat dit wiel dreigt te blokkeren. Daardoor blijft dat wiel ‘rollen’.

 

ABS-SENSOR

Meet bij ieder wiel, of dat tijdens de remmanoeuvre blokkeert. Dan verlaagt de ABS-regeleenheid de remdruk bij dat wiel, waardoor dat wiel weer ‘rollend’ kan remmen.

 

ABSCIS

Afstand van een punt tot de opstaande as (y-as) van een coördinatenstelsel.

 

ABSOLUTE DRUK

Absoluut betekent, dat de atmosferische druk buiten beschouwing blijft. Het nulpunt is dan 0 bar.

 

ABSOLUTE TEMPERATUUR

Laagst mogelijke temperatuur, waarop gassen geen spanning meer hebben. Deze bedraagt 0 kelvin oftewel 273,16 graden Celsius.

 

ABSOLUTE VOCHTIGHEID

Het aantal grammen waterdamp, dat zich in één kilogram gas bevindt. Meestal gaat het daarbij niet om een gas maar om lucht.

 

ABSOLUUT [1]

Niet vergelijkbaar met iets soortgelijks.

 

ABSOLUUT [2]

Uitgaande van een gegeven nulpunt.

 

ABSOLUUT NULPUNT

Laagst mogelijke temperatuur: -273,15 graad Celsius oftewel 0 kelvin.

 

ABSORBEREN

In zich opnemen. Gassen en vloeistoffen kunnen worden geabsorbeerd in een vaste stof of een (andere) vloeistof.

 

ABSORPTIEDEMPER

Uitlaatdemper waarvan de kamer is gevuld met mineraalwol. De uitlaatgassen komen via gaatjes hierin terecht, waarin ze door wrijving worden afgeremd.

 

ACCELERATIE

Geleidelijke verhoging van de snelheid.

 

ACCELERATIEGEDEELTE

Deel van het brandstofsysteem dat bij een motor tijdens de acceleratie voor een tijdelijke verrijking van het brandstof-luchtmengsel zorgt.

 

ACCELERATIEKRACHTEN

Krachten die tijdens de accelereren op een auto worden uitgeoefend.

 

ACCELERATIEMETER

De acceleratiemeters van een ongevallenregistratie‑apparaat kunnen een plotselinge acceleratie of deceleratie meten in een geprogrammeerde (langs- of dwars)richting.

 

ACCELERATIEPOMP

Zorgt bij een carburateurmotor tijdens de acceleratie voor een tijdelijke verrijking van het brandstof-luchtmengsel.

 

ACCELERATIETIJD

Tijd die nodig is om vanuit stilstand of vanaf een bepaalde snelheid zo snel mogelijk naar een andere bepaalde snelheid te accelereren.

 

ACCELERATIEWEERSTAND

Gedeelte van de mechanische rijweerstanden, die de auto moet overwinnen om te kunnen accelereren.

 

ACCELEROMETER

Acceleratiemeter.

 

ACCESSOIRE

Aanvulling op de standaard voertuiguitrusting. Accessoires zijn niet van wezenlijk belang voor het functioneren van de auto.

 

ACCESSOIRESTAND

Stand van het contactslot, waarbij bij stilstaande motor alleen de elektrische verbruikers functioneren waaraan je op zo’n moment behoefte hebt.

 

ACCESSOIRESTEKKER

Aansluiting op het dashboard voor elektrische accessoires. Zo kan elektrische voeding aan de accu worden onttrokken voor externe stroomverbruikers.

 

ACCU

Opslagplaats van elektrische energie. De dynamo levert elektrische stroom aan de accu. Die wordt pas gebruikt, als een verbruiker wordt ingeschakeld.

 

ACCU-BOBINE-ONTSTEKING

Normale ontsteking met een accu en een bobine.

 

ACCUCAPACITEIT

Hoeveelheid elektrische stroom, die gedurende een bepaalde tijd aan de accu kan worden onttrokken. Daalt met toenemende ontlaadstroom en afnemende temperatuur.

 

ACCUCEL

Een twaalfvolts-accu bestaat uit zes kleine accu’s van elk 2,2 volt. Zo’n ‘deel-accu’ heet een accucel.

 

ACCUCELTESTER

Hiermee kan men bij een accu aflezen, of iedere accucel nog wel voldoende elektrische spanning heeft.

 

ACCUCONDITIEMETER

Controleert de spanning van de accu. Deze moet een minimale spanning hebben van 12 volt bij afgezette motor en 14-15 volt bij draaiende motor.

 

ACCUGASSEN

Zijn licht ontvlambaar en worden daarom ook wel knalgas genoemd. Accugassen kunnen tijdens het opladen uit de accu ontsnappen.

 

ACCULAADTIJD

Tijd die nodig is om een lege accu op te laden. Dat kan worden gedaan met behulp van een acculader of accusnellader.

 

ACCULADER

Gelijkrichter om een lege accu in of buiten de auto op te laden. De gemiddelde acculaadtijd bedraagt dan 12-14 uur.

 

ACCU-ONTSTEKING

Accu-bobine-ontsteking.

 

ACCUPAKKET

Elektrische auto’s of hybride-auto’s hebben een accupakket aan boord om ook de aandrijvende elektromotor te voeden.

 

ACCUPOOL

Vanaf de positieve accupool wordt elektrische stroom geleid naar de verbruikers. Vanaf de negatieve accupool wordt de accu aan massa gelegd.

 

ACCUPOOLTANG

Hiermee kun je vastzittende moeren of wartels losdraaien. Na invreten van accuvloeistof lukt dat niet meer met een gewone ringsleutel of steeksleutel.

 

ACCUSNELLADER

Hiermee kun je een lege accu binnen enkele uren opladen. Dit is echter niet goed voor de accu.

 

ACCUSPANNING

Een twaalfvolts-accu moet afgezette motor een minimale spanning van 12 volt hebben. Bij draaiende motor moet de accuspanning 14-15 volt bedragen.

 

ACCUSTARTSTROOM

Hoeveelheid elektrische stroom, die de accu moet kunnen opbrengen om de motor koud te laten starten.

 

ACCUTESTER

Analyseert de conditie van een accu, waarbij de accustartstroom wordt gesimuleerd. Ook wordt de startcapaciteit gecontroleerd.

 

ACCUVLOEISTOF

Zwavelzuur verdund met gedestilleerd water. Vul nooit een accu bij met accuvloeistof maar met gedestilleerd water.

 

ACCUZUUR

Accuvloeistof.

 

ACCUZUURWEGER

Hiermee kan men de dichtheid van accuvloeistof (accuzuur) wegen. Bij een dichtheid van 1,28 kilogram/kubieke decimeter is de accu nog nét geladen.

 

ACEA-SPECIFICATIE

De  ACEA verstrekt normbepalende informatie over de kwaliteit van olie. Het betreft daarbij alleen het gebruik van olie onder ‘Europese’ rij-omstandigheden.

 

ACETON

Vluchtige, zeer brandbare vloeistof. Onder meer in gebruik als oplosmiddel in verfstoffen.

 

ACETYLEENGAS

Wordt bij autogeenlassen gebruikt. Dit gas is een bij verbranding sterk lichtgevend. Daarnaast ruikt het meestal onaangenaam.

 

ACHTERAS

Vroeger hadden koetsen nog echte (starre) achterassen.  Tegenwoordig betekent dit: alles wat nodig is om de achterwielen te laten functioneren.

 

ACHTERKLEP

Vijfde deur van een stationcar of de derde deur van een coupé. De scharnieren bevinden zich ter hoogte van het dak. Hij opent en sluit om de horizontale as.

 

ACHTERLICHTGROEP

Lichteenheid met daarin geïntegreerd het achterlicht, het remlicht, de richtingaanwijzer en vaak ook het mistachterlicht.

 

ACHTEROVERBOUW

Deel van de carrosserie achter de hartlijn van de achterwielen.

 

ACHTERUITKIJKSPIEGEL

Een personenauto heeft normaal één binnenspiegel en twee buitenspiegels. Er zijn antiverblindingsspiegels, spiegels met dag- en nachtzicht en spiegels met dodehoekwaarschuwingssystemen.

 

ACHTERRUITVERWARMING

Een raster van draden in de achterruit die warm worden zodra er elektrische stroom doorheen wordt geleid. Heeft tot doel om een beslagen achterruit te ontwasemen.

 

ACHTERUITRIJCAMERA

Hierbij wordt de bestuurder door piepsignalen gewaarschuwd, als de achteruitrijdende auto tegen iets aan dreigt te botsen. Soms kan de bestuurder daarnaast op een display in het dashboard de situatie achter de auto overzien.

 

ACHTERUITVERSNELLING

Iedere versnellingsbak in een auto heeft een achteruitversnelling. In de bak  is hiervoor een tussentandwiel aanwezig , dat de draairichting van de uitgaande as omdraait.

 

ACHTERSPOILER

Spoiler (meestal boven)op de achterkant van een auto. De daaroverheen stromende rijwind drukt de auto naar de grond.

 

ACHTERSTE SCHUTBORD

Stalen plaat tussen het interieur en de bagageruimte, waar de achterpassagiers met de rug tegenaan zitten. Dit is een cruciaal gedeelte van een zelfdragende carrosserie.

 

ACHTERWIELAANDRIJVING

Hierbij drijft de motor de achterwielen aan. Tegenwoordig hebben de meeste personenauto’s voorwielaandrijving.

 

ACHTERWIELBESTURING

Bij een zelfsturende achteras is de achterwielophanging zo geconstrueerd, dat de achterwielen in het spoor van de voorwielen blijven.

 

ACHTERWIELOPHANGING

Bestaat niet alleen uit de diverse wieldraagarmen, maar ook uit de vering, de schokdemping en delen van het remsysteem.

 

ACKERMANN-BESTURING

Hierbij doorloopt het buitenste voorwiel in een bocht een grotere cirkelboog dan het binnenste voorwiel. Daartoe heeft het binnenwiel een grotere stuuruitslag.

 

ACRYLAATLAK

Tweecomponentenlak op basis van acrylaat en verdund met water. De basis bestaat uit een kunsthars plus een bindmiddel.

 

ACTIEF

Een actief systeem speelt in op veranderende rij-omstandigheden en neemt zelf maatregelen. Niet passief, maar zelfregelend.

 

ACTIERADIUS

Maximumafstand, die een voertuig op een volle tank kan afleggen. Vuistregel: actieradius = brandstofverbruik/liter x inhoud in liters van de brandstoftank.

 

ACTIEVE KOOL

Heeft een zeer fijn verdeelde, vaste vorm en is amorf.  Is bij verwarming erg actief, waardoor het zich snel aan een gas bindt. Het wordt gebruikt in actieve-koolstoffilters.

 

ACTIEVE-KOOLSTOFFILTER

Deel van het brandstofverdampingsregelsysteem. Het filter bevindt zich in de ontluchting van de brandstoftank.

 

ACTIEVE VEILIGHEID

Betreft alles op het gebied van voorkoming van ongelukken, zoals afstandsregelsysteem, antiblokkeerremsysteem en antidoorslipregelsysteem.

 

ACTIEVE-VEILIGHEIDSREGELSYSTEEM

Bij een naderende onvermijdelijke frontale botsing activeert dit elektronische actieve veiligheidssysteem andere systemen om dat ongeluk te voorkomen of anders de gevolgen tot een minimum te beperken. Het kan, afhankelijk van de uitvoering, de bestuurder waarschuwen, de remmen activeren, de stoelen aanpassen en tijdens een noodstop de veiligheidsgordels extra strak spannen.

 

ACTUATOR

Combinatie van een schakelende sensor en een uitvoerend apparaat. Actuators sturen onder meer de. gaskleppen,  de koppeling en de versnellingsbak aan.

 

ADAPTATIE

Vermogen van de bestuurder om zich aan te passen aan de heersende rij-omstandigheden, maar ook aan plotselinge veranderingen.

 

ADAPTER

Verloopstuk, dat tussen de uiteinden van twee niet-passende leidingsystemen kan worden bevestigd zodat deze alsnog op elkaar aansluiten.

 

ADAPTIEF

‘Zelflerend’, in staat om zich aan de omstandigheden aan te passen.

 

ADAPTIVE CLIMATE CONTROL

Klimaatregelsysteem.

 

ADAPTIVE CRUISE CONTROL

Snelheidsregelsysteem.

 

ADAPTIVE DAMPER SYSTEM

Schokdempingsregelsysteem.

 

ADAPTIVE FRONT-LIGHTING SYSTEM

Koplampregelsysteem.

 

ADAPTOR

Adapter.

 

ADDITIVE

Toevoeging aan brandstof, olie en koelvloeistof. Verbeteren of versterken eigenschappen, waardoor deze beter zijn opgewassen tegen zware omstandigheden.

 

ADER

Het stroomgeleidende kern van een stroomdraad.

 

ADHESIE

Hechtkracht, waarmee de moleculen van twee elkaar rakende lichamen of stoffen elkaar proberen vast te houden.

 

ADIABAAT

In de thermodynamica: grafische lijn, die een proces beschrijft waarbij geen warmte vanuit de omgeving wordt opgenomen en afgestaan.

 

ADSORBEREN

Een niet-vaste stof binden aan de oppervlakte van een vaste stof. Meestal is die niet-vaste stof een gas.

 

AERODYNAMICA

Leer van de beweging van de gassen (met name: lucht). Bij auto’s draait het bij aerodynamica altijd om de rijwind.

 

AËRODYNAMICAREGELSYSTEEM

Systeem van voor- en achterspoilers, die bij stilstand onzichtbaar zijn maar boven een bepaalde snelheid naar buiten komen en zo neerwaartse kracht genereren.

 

AERODYNAMISCH

De luchtweerstand zo gering mogelijk makend.

 

AERODYNAMISCHE BALANS

Evenwicht tussen de aerodynamische neerwaartse kracht op de voorwielen en de aerodynamische neerwaartse kracht op de achterwielen.

 

AERODYNAMISCHE GRIP

Wegligging voor zover die wordt beïnvloed door de aerodynamica.

 

AERODYNAMISCHE NEERWAARTSE KRACHT

Verticaal gerichte kracht, die ontstaat door de aerodynamische eigenschappen van de auto. Dat is mogelijk, als rijwind wordt omgezet in neerwaartse kracht.

 

AERODYNAMISCHE RIJWEERSTAND

Kracht, waarmee de beweging van een auto door de rijwind wordt tegengewerkt. Deze is afhankelijk van de stroomlijnvorm en het frontopppervlak.

 

AEROFOIL

Iets dat de rijwind dwingt om van richting te veranderen, bijvoorbeeld een vleugel of een spoiler.

 

AEROSOL [1]

Verzamelnaam voor alle In de buitenlucht zwevende vaste en vloeibare deeltjes.

 

AEROSOL [2]

Colloïdale oplossing van een stof in een gas.

 

AEROSOL [3]

Spuitbus met aerosol..

 

AEROSOLLAK

Lak die met behulp van drijfgas wordt aangebracht.

 

AFBLADDEREN

Afbladderende lak laat los van plaatwerk, als deze mechanisch wordt belast. Oorzaken: slechte hechting, te gladde ondergrond.

 

AFDALINGSREGELSYSTEEM

Dit systeem helpt de bestuurder bij het afdalen van steile hellingen. De bestuurder hoeft alleen te sturen en de auto doet volledig automatisch het overige werk.

 

AFDAMPEN

Het langs natuurlijke weg gedeeltelijk verdampen van de vluchtige bestanddelen in de zojuist op het plaatwerk aangebrachte lak.

 

AFDEKLAAG

Laatste laklaag die op plaatwerk wordt aangebracht. De volgorde van de verschillende lagen is: grondlaag, plamuur, vuller, kleurlaag en afdeklaag.

 

AFDICHTRING

Op enkele plaatsen steken draaiende assen uit componenten, waarin zich olie bevindt. Afdichtringen verhinderen, dat olie naar buiten toe lekt.

 

AFGEVEERDE MASSA

Massa van het deel van een auto, dat zich boven de vering bevindt. Hoe groter de afgeveerde massa, des te groter het rijcomfort.

 

AFHANKELIJKE WIELOPHANGING

Hierbij beïnvloeden de wielen van dezelfde as elkaar in hun stand ten opzichte van het wegdek. Dit kan negatief werken op de wegligging.

 

AFLEVERING

De aflevering van een nieuwe auto vindt plaats op het moment, waarop de dealer of handelaar de auto aan de klant overdraagt.

 

AFLEVERINGSGEWICHT

Gewicht (bedoeld wordt eigenlijk: massa), dat een lege aanhangwagen bij aflevering volgens de bijbehorende papieren heeft.

 

AFLEVERINGSKOSTEN

Bij de aanschafprijs van een nieuwe auto komen nog de afleveringskosten voor werkzaamheden, die de dealer vóór de aflevering verricht.

 

AFROLGELUID

Geluid dat de banden tijdens het rijden produceren. Dit is tegenwoordig in milieutechnisch opzicht een heet hangijzer.

 

AFROLOMTREK

Afstand, die door een band per hele wielomwenteling wordt afgelegd. De afrolomtrek is afhankelijk van de bandenmaat.

 

AFSCHRIJVING

Fiscale waardevermindering van een auto per jaar, opgebouwd uit het verschil tussen aankoopprijs en verkoopprijs.

 

AFSLAAN

Bij een motor: stoppen met lopen.

 

AFSLUITER

Klep of kraan waarmee een leiding kan worden afgesloten.

 

AFSTANDSREGELSYSTEEM

Regelt de minimumafstand ten opzichte van de achterkant van een voorliggende auto. Indien nodig remt de auto automatisch af of wordt het motorvermogen verminderd. Als de voorligger weer optrekt, doet de eigen auto dat ook. Dit systeem werkt in combinatie met een snelheidsregelsysteem.

 

AFSTANDSSENSOR

Maakt deel uit van een afstandsregelsysteem. Controleert de afstand tussen de voorkant van de ‘eigen’ auto en de achterkant van de voorliggende auto.

 

AFSTELKALIBER

Maatgevend gereedschap, waarmee spelingen of andere afstellingen kunnen worden afgesteld of ingesteld. Voorbeeld: voelermaten.

 

AFTAPPLUG

Bevindt zich o.a. aan de onderkant van de motor, versnellingsbak en los differentieel. Via de aftapplug wordt tijdens een olieverversing de ‘oude’ olie afgevoerd.

 

AFTERMARKET

Totaal van alle bedrijven, die actief zijn op het gebied van vervangende onderdelen en accessoires. Een AM-onderdeel (vaak een accessoire, maar soms ook een verslijtonderdeel) dat na ingebruikname van een  auto alsnog wordt gemonteerd.

 

AFVALSPANNING

Spanning, waarbij de sperrende werking van een zenerdiode wordt opgeheven.

 

AFVLAKFILTER

Elektronische schakeling, waarmee een pulserende gelijkspanning kan worden omgezet in een meer constante gelijkspanning.

 

AFWATERINGSOPENING

Tijdens fabricage gemaakte gaatjes onderin chassisbalken en portieren. Dienen voor de afvoer van water dat tijdens het rijden daar is binnengedrongen.

 

AGGREGAAT

Stelsel gekoppelde werktuigen, vaak de combinatie van een stationaire motor en een dynamo of pomp.

 

AGGREGATIETOESTAND

De drie aggregatietoestanden van een stof zijn de gasvormige toestand, de vloeibare toestand en de vaste toestand. Iedere stof komt in minstens één van deze drie fasen voor.

 

AIRBAG

Zak in het stuur of het dashboard, die zichzelf tijdens een aanrijding bliksemsnel opblaast en zo een buffer vormt tussen de inzittende en het interieur van de auto. Iedere personenauto moet minimaal een bestuurdersairbag en een passagiersairbag aan boord hebben.

 

AIRBAGSENSOR

Een airbagsensor geeft de bij een botsing behorende vertragingswaarde door aan een gasgenerator. Deze blaast de airbag(s) binnen 30 milliseconde op.

 

AIRBAGSYSTEEM

Alle onderdelen en accessoires, die nodig zijn om alle in een auto aanwezige airbags te laten functioneren.

 

AIRBELT

Twee van deze mini-airbags beschermen, gemonteerd in een vierpuntsveiligheidsgordel, de borst van de inzittende tegen de impact van een botsing.

 

AIRCO

Airconditioning.

 

AIRCONDITIONING

Zorgt onafhankelijk van de buitencondities voor de luchtbehandeling binnen in de auto. Hiermee kan warmte aan lucht worden onttrokken. Interieurlucht kan dus worden afgekoeld maar niet opgewarmd.

 

AIRCOPOMP

Compressor van de airconditioning. Deze perst het dampvormige koudemiddel samen tot vloeistof. De aircopomp wordt via een riem door de motor aangedreven.

 

AIRSCARF

Is geïntegreerd in de hoofdsteunen en voorziet de bestuurder van warme lucht rondom de nek.

 

 

AIR-TO-AIR INTERCOOLING

Koeling van gecomprimeerde inlaatlucht door middel van buitenlucht.

 

AKI

Anti-knock index.

 

AKOESTIEK

Wetenschap van de wijze waarop geluid zich door een ruimte verspreid.

 

AKOESTISCHE ENERGIE

Antennes vangen elektromagnetische energie op. De radio geeft die versterkt in de vorm van akoestische energie (dus geluid) door aan de speakers.

 

ALARMCERTIFICAAT

Schriftelijk bewijs, dat de betreffende alarminstallatie is goedgekeurd.

 

ALARMINSTALLATIE

Signaleert inbraakpogingen op zowel hoorbare als zichtbare wijze. Daarom bevinden zich sensoren op plekken waar een inbreker zou kunnen komen.

 

ALARMVERLICHTING

Bij het inschakelen van de alarmverlichting gaan de richtingaanwijzers op alle vier de hoeken van de auto knipperen.

 

ALCOHOL

Alternatieve brandstof voor automotoren, meestal vervaardigd uit biomassa. Alcohol bevat minder energie dan benzine en kent dus een hoger brandstofverbruik. Alcohol heeft tevens een koelende invloed op het brandstof-luchtmengsel. Daardoor kan er per slag meer worden verbrand en presteert de motor dus beter.

 

ALCOHOLMOTOR

Motor die uitsluitend op alcohol (en dus niet op benzine of diesel) loopt.

 

ALGEMENE PERIODIEKE KEURING

Jaarlijkse veiligheids- en milieukeuring voor auto’s, die ouder zijn dan drie jaar.

 

ALL-IN-PRIJS

Theoretische prijs (inclusief afschrijving, verzekering en wegenbelasting bij een gegeven aantal kilometers per jaar) om met een bepaalde auto één kilometer te kunnen rijden.

 

ALL-PURPOSE VEHICLE

Auto die voor alle toepassingen geschikt is.

 

ALL-WEATHER-BAND

Zo’n band is dus een zomerband en winterband in één.

 

ALR

Automatische lastafhankelijke remkrachtregelaar.

 

ALTERNATIEF

Anders maar gelijkwaardig.

 

ALTERNATIEVE BRANDSTOF

Fossiele brandstof hebben nooit geheel onschadelijke uitlaatgasemissie. Bovendien zijn dit eindige brandstoffen. Vandaar de zoektocht naar alternatieve brandstoffen.

 

ALUMINIUM

Metaal aanzienlijk lichter dan staal, heeft een prima elektrisch geleidingsvermogen en is relatief corrosiebestendig. Nadelen: is zacht en kan slecht tegen warmte.

 

ALUMINIUMLEGERING

Aluminium is zo zacht, dat het vrijwel altijd in een legering wordt toegepast. Zuigers, cilinderkoppen en motorcarters worden hiervan gemaakt.

 

ALUMINIUMVET

Goed voor de smering van het chassis maar niet voor die van lagers. Is bestendig tegen water en hecht goed. Nadeel: mag niet warmer worden dan 50 graden Celsius.

 

AM [1]

Aftermarket.

 

AM [2]

Amplitudemodulatie (middengolf op de radio) waarbij het signaal wordt overgebracht door middel van het variëren van de hoogte van de amplitude van de draaggolf.

 

AMBULANCE [1]

Oprijwagen.

 

AMBULANCE  [2]

Ziekenauto.

 

AMFIBIE-AUTO

Auto die zich zowel op de weg als (eventueel na enkele aanpassingen) in het water kan voortbewegen.

 

AMORF

Amorf materiaal heeft geen vorm. Is meestal een gas of een vloeistof, maar het kan ook glas of zand zijn.

 

AMPÈREMETER [1]

Instrument dat aan de bestuurder aangeeft, of de dynamo genoeg elektrische stroom levert.

 

AMPÈREMETER [2]

Ampère is de SI-eenheid van elektrische stroom. Met een ampèremeterkan een monteur de elektrische stroom in een stroomkring meten.

 

AMPLITUDE

Hoogte van een volledige golfbeweging, het maximale gemeten verschil.

 

ANALOOG

Niet met getallen werkend. Een analoog meetinstrument heeft altijd een wijzernaald.

 

ANKER

Een dynamo bestaat uit een stilstaand gedeelte (de stator) en een draaiend gedeelte: het anker (of rotor). In het anker bevinden zich ankerspoelen waarin door toedoen van het magneetveld in de stator elektrische spanning wordt opgewekt.

.

ANODE

Positieve elektrode. Dit is de pool waar de elektronen uit komen. Bij een accu heet dit de pluspool.

 

ANORGANISCH

Niet tot de koolstofverbindingen behorend, niet tot het plantenrijk behorend.

 

ANTENNE

Metalen staaf, die elektromagnetische energie (in de vorm van radiogolven) uit de lucht opvangt en aan de radio-ontvanger doorgeeft.

 

ANTENNERICHTSYSTEEM

Systeem om de antenne optimaal te richten voor de radio-ontvangst. Dit gebeurt met behulp van sensoren in de bumpers.

 

ANTENNESYSTEEM

Geheel van benodigde apparatuur en materiaal voor ontvangst van radiogolven.

 

ANTIBLOKKEERREMSYSTEEM

ABS (anti-lock brake system) verhindert dat er bij hard remmen wielen kunnen blokkeren. De auto blijft bestuurbaar en de remweg is korter. Sinds 2008 verplicht op alle nieuwe auto’s.

 

ANTIBOTSREGELSYSTEEM

Controleert met behulp van een radar het tegemoetkomende verkeer in de gaten. Als de bestuurder niet op tijd op het signaal reageert, volgt automatisch een stuurcorrectie.

 

ANTICORROSIE-ADDITIVE

Iets dat wordt toegevoegd aan koelvloeistof en motorolie om metalen delen van de motor tegen corrosie te beschermen.

 

ANTICORROSIE-DOPE

Anticorrosie-additive.

 

ANTICORROSIELAAG

Beschermt de onderkant van een auto tegen corrosie. Corrosie ontstaat door inwerking van water, modder, pekel en/of steenslag.

 

ANTIDIEFSTALINSTALLATIE

Mechanische middelen tegen autodiefstal zijn het stuurslot, het handremslot, de brandstoftoevoeronderbreker, de hoofdstroomschakelaar, de wielmoerbeveiliging en de wielklem. Elektronisch systemen: visuele en auditieve alarminstallaties, blokkeersystemen en natuurlijk de centrale portiervergrendeling.

 

ANTI-KNOCK INDEX

Norm voor klopvastheid van benzine. Is het gemiddelde van RON en MON.

In Noord- en Zuid-Amerika geldt AKI als de norm voor klopvastheid.

 

ANTI-DIVE

Systeem waarmee de duikneiging van een auto tijdens het remmen wordt beperkt. Daardoor blijven de wielstanden en de rijhoogte ongewijzigd.

 

ANTI-DIVE AIRBAG

Airbag, die ervoor zorgt, dat een inzittende tijdens een botsing niet

onder de veiligheidsgordel door kan schieten.

 

ANTIDOORSLIPREGELSYSTEEM

Tractieregelsysteem.

 

ANTI-IJS-ADDITIVE

Iets dat ’s winters aan benzine wordt toegevoegd om te verhinderen dat de in benzine aanwezige waterdamp in de inlaatlucht bevriest.

 

ANTI-IJS-DOPE

Anti-ijs-additive.

 

ANTIKANTELSYSTEEM

Elektronisch gestuurd systeem, dat aanhangwagens bij een te hoge dwarsversnelling afremt.

 

ANTIKLOP-ADDITIVE

Iets dat aan benzine wordt toegevoegd om de klopvastheid te verhogen. Vroeger was dat een loodverbinding, zoals TEL en TML.

 

ANTIKLOP-DOPE

Antiklop-additive.

 

ANTIKLOPREGELSYSTEEM

Verhindert onmiddellijk een eventuele neiging tot kloppen bij een draaiende motor door verandering van het ontstekingstijdstip. Het neemt de oorzaak niet weg.

 

ANTI-OXIDATIE-ADDITIVE

Iets dat aan brandstof en olie wordt toegevoegd om oxidatie tegen te gaan. Geoxideerde brandstof verzeept en verstopt het brandstoftoevoersysteem.

 

ANTI-OXIDATIE-DOPE

Anti-oxidatie-additive.

 

ANTIPIEPPLAATJE

Plaatje ter fixering van de remblokken in de remklauw om te voorkomen dat ze anders tijdens het remmen een doordringend piepgeluid produceren.

 

ANTI-ROLL BAR

Stabilisatorstang.

 

ANTISCHUIM-ADDITIVE

Iets dat aan olie wordt toegevoegd om schuimvorming te verhinderen. Waar luchtbellen zijn, wordt niet gesmeerd. Wordt uitsluitend toegevoegd aan versnellingsbak- en differentieelolie.

 

ANTISCHUIMDOPE

Antischuim-additive.

 

ANTISLIJTAGE-ADDITIVE

Toevoegsel aan  loodvrije benzine om slijtage van de kleppen tegen te gaan.

 

ANTISLIJTAGE-DOPE

Antislijtage-additive.

 

ANTI-SQUAT

Doet hetzelfde als anti-dive, maar dan aan de achterkant van de auto. Zo wordt het ongewenste ‘hurken’ (squat) van de auto tegengegaan.

 

ANTIVERBLINDINGSKAP

Kap boven een koplamp om te voorkomen dat tegenliggers worden verblind.

 

ANTIVERBLINDINGSSPIEGEL

Achteruitkijkspiegel, die bij een bepaalde lichtinval automatisch op ‘donker’ gaat.

 

ANTIVERVUILINGS-ADDITIVE

Iets dat aan benzine wordt toegevoegd om het inlaatgedeelte van een motor met gesloten carterventilatie en EGR-klep schoon te houden.

 

ANTIVERVUILINGS-DOPE

Antivervuilings-additive.

 

ANTIVERVUILINGSSYSTEEM

Systeem ter vermindering van de luchtverontreiniging door uitlaatgassen.

 

ANTIVRIES

Ethyleen-glycol verlaagt het vriespunt van koelvloeistof en ruitenwisservloeistof tot ver onder 0 graden Celsius. Goed mengbaar met water, reukloos maar ook zeer giftig

 

ANTIVRIESMETER

Hiermee kan worden bepaald, hoeveel antivries er zich in de koelvloeistof bevindt en tot welke temperatuur de motor tegen bevriezing is beveiligd.

 

APEX [1]

Punt van de ideale lijn, waarop ‘de bocht ingaan’ overgaat in ‘de bocht uitgaan’.

Toppunt (Latijn)

 

APEX [2]

Hoek van de driehoekige rotor van een wankelmotor.

 

API-SPECIFICATIE

De API bepaalt de kwaliteitsnorm voor olie. De API bepaalt de eisen, waaraan motorolie moet voldoen. Kwaliteit is iets anders dan viscositeit!

 

APK

Algemene Periodieke Keuring.

 

APPENDAGE

Verzameling van hulpwerktuigen. Essentieel voor een goede werking van een bepaalde component, zonder dat ze er deel van uitmaken.

 

APPENDAGEPLAAT

Bevindt zich op de LPG-tank van een auto met een LPG-installatie. Hierop bevinden zich de tachtig-procent-vulklep, een inhoudsmeter en een overdrukklep.

 

APV

All-purpose vehicle.

 

AQUA-PLANING

Hierbij rollen de wielen van een rijdende auto óver in plaats van dóór het regenwater. Dit maakt sturen en remmen min of meer onmogelijk.

 

ARAMIDEVEZEL

Is gemaakt van een uiterst sterke kunststof en is geschikt voor de fabricage van niet-dragende carrosseriedelen en zelfs banden. De merknaam van aramidevezel is Kevlar.

 

ARBEID

In een motor wordt  verbrandingsenergie (uit brandstof) omgezet in mechanische energie (in de ronddraaiende krukas). Warmte en druk worden dus arbeid.

 

ARBEIDSDIAGRAM

Hierin is bij elke krukasstand zichtbaar, welk deel van het arbeidsproces zich in elke cilinder voltrekt.

 

ARBEIDSKRACHT

Kracht gegenereerd door machines of werktuigen.

 

ARBEIDSPROCES

Bestaat bij een vierslagmotor uit vier slagen: de inlaatslag, de compressieslag, de arbeidsslag en de uitlaatslag.

 

ARBEIDSSLAG (VERBRANDINGSSLAG, WERKSLAG)

Tijdens deze slag wordt de zuiger door de expansie van het  verbrandende brandstof-luchtmengsel in de verbrandingsruimte omlaag geduwd.

 

ARBEIDSVERMOGEN

Energie die personen of voorwerpen in zich hebben om arbeid te verrichten.

 

ARBEIDSVERMOGEN VAN BEWEGING

Bewegingsergie.

 

ARBEIDSVERMOGEN VAN PLAATS

Botsingsenergie.

 

ARGON

Bij MIG-lassen wordt gebruik gemaakt van een inerte gas zoals argon en helium, die niet met het smeltbad reageren.

 

ARM [1]

Arm van een moment ten opzichte van een bepaald punt: afstand vanaf dat punt tot de drager van een kracht.

 

ARM [2]

Wieldraagarm.

 

ARM BRANDSTOF-LUCHTMENGSEL

Brandstof-luchtmengsel met relatief weinig brandstof en veel lucht.

 

ARMMENGSELMOTOR

In de jaren tachtig een alternatief voor de steeds strengere milieu-eisen, toen de katalysator nog aan het begin van zijn ontwikkeling stond.

 

AS

Staafvormig voorwerp, waaromheen (los) of waarmee (vast) iets ronddraait. Dat kan de virtuele vooras of achteras van een auto zijn, maar ook een krukas of een nokkenas.

 

ASBELASTING

Belasting die op een bepaalde as rust. Deze belasting wordt veroorzaakt door het gewicht van voertuig plus de lading.

 

ASBEST

Vroeger kwam asbest  voor in koppakkingen, koppelingsplaten, remblokken en remvoeringen. Onbrandbaar en bij inademing uiterst giftig.

 

ASBORGRING

Ringvormige stalen veer, die is aangebracht in een groef op een as. Het doel is om die as in radiale richting te borgen.

 

ASDRUK

Druk die op een as van een voertuig wordt uitgeoefend. Deze is wettelijk begrensd tot 10.000 kilogram om het wegdek te beschermen.

 

ASFALT

Bij destillatie van aardolie blijft bezinksel over. Met deze dikke stroperige vloeistof wordt asfalt voor de wegenbouw gefabriceerd.

 

ASHUIS

Tussen de achterwielen van een bedrijfswagen bevindt zich een gietmetalen ashuis met daarin de eindoverbrenging met het differentieel.

 

ASLIJN

Hartlijn van een as.

 

ASPECT RATIO

Verhouding tussen de lengte en de breedte van de dwarsdoorsnede van een voorwerp. Meestal: hoogte-/breedteverhouding van een band.

Verhouding tussen twee grootheden

 

ASSEMBLEREN

Uit losse onderdelen in elkaar zetten van een compleet product.

 

ASSTEUN

Stalen driepoot, die in hoogte verstelbaar is. Twee assteunen kunnen een opgekrikte auto aan de voorkant of achterkant goed ondersteunen.

 

ASTABIELE MULTIVIBRATOR

Multivibrator zonder ingang en met één uitgang. Wordt toegepast bij knipperlichtinstallaties, flip-flops en timers.

 

ASTAP

Korte metalen doorn waaromheen de naaf plus het wiel draait. Is op een fusee of wieldraagarm gemonteerd en zo met de carrosserie verbonden.

 

ATF

Automatische-transmissievloeistof.

 

ATMOSFEER

Dampkring rondom de aarde, waar de buitenluchtdruk heerst.

 

ATMOSFERISCH

In relatie tot de buitenlucht. In de autotechniek betekent het: uitgaande van aanzuiging onder atmosferische luchtdruk.

 

ATMOSFERISCHE LUCHTDRUK

Buitenluchtdruk.

 

ATMOSFERISCHE LUCHTDRUKSENSOR

Deel van de brandstofinspuiting. Meet de buitenluchtdruk op en  verandert die in een elektrisch spanningssignaal. Wordt toegepast waar de buitenluchtdruk een rol speelt.

 

ATMOSFERISCHE MOTOR

Hierbij wordt de inlaatlucht niet in de motor ‘geduwd’ (zoals bij een turbomotor), maar onder atmosferische druk naar binnen gezogen.

 

ATOOM

Het kleinste deel van een chemisch element, dat de eigenschappen van dat element nog bezit.

 

ATTENTIEVERLICHTING

Systeem, dat de verlichting van de auto automatisch aandoet bij het starten van de auto, en afzet als de motor wordt afgezet.

 

AUDIO

Betreft alles wat het mogelijk maakt om ergens naar te luisteren: een antenne, een radio-ontvanger, een versterker, eventueel een MP3-speler, CD-speler, cassettespeler en speakers (tweeters, woofers en subwoofers), Bluetooth, TV en DVD-speler.

 

AUDIOFREQUENTIE

Frequentie van hoorbare trillingen.

 

AUDIOSYSTEEM

Bestaat uit een antenne, een radio-ontvanger, een versterker, eventueel een MP3-speler, CD-speler, cassettespeler en speakers (tweeters, woofers en subwoofers), Bluetooth, TV en DVD-speler. Al deze functies kunnen zijn ondergebracht in één bedieningseenheid.

 

AUTO MET ELEKTRISCHE AANDRIJVING

Auto die (in tegenstelling tot hybride-auto’s) geheel wordt aangedreven door elektriciteit.

 

AUTO MET BRANDSTOFCEL

‘Gewone’ elektrische auto, met als bijzonderheid dat de elektromotor wordt gevoed met elektriciteit uit een brandstofcel (aangemaakt uit waterstof en zuurstof). Dit soort voertuigen zijn nog ver verwijderd van de realiteit.

 

AUTO MET EXTERN OPLAADBARE HYBRIDE-AANDRIJVING

Bij iedere auto met parallel-hybride-aandrijving moeten de accu’s tijdens het rijden (en vooral tijdens het remmen) worden opgeladen. Een plug-in hybride-auto kan ook met behulp van een stekker op een laadpaal worden opgeladen.

 

AUTO MET HYBRIDE-AANDRIJVING

Hybride- betekent: tweeslachtig. Zo’n auto heeft dus de beschikking over twee motoren: een elektromotor en een verbrandingsmotor. Die motoren zijn dan geschakeld in serie (serie-hybride-auto) of parallel (parallel-hybride-auto). Een volledig elektrische auto is dus geen hybride-auto.

 

AUTO MET HYBRIDE-AANDRIJVING EN EEN VERGROTE ACTIERADIUS

De aandrijving van zo’n elektrische auto verloopt altijd geheel elektrisch, maar er is ook nog een kleinformaat benzinemotor aan boord. Deze genereert zonodig elektri­citeit teneinde het accupak­ket onderweg bij te laden als dat enigszins leeg raakt.

 

AUTO MET ‘MILDE’ HYBRIDE-AANDRIJVING

Zo’n auto kan niet uitsluitend op elektriciteit rijden maar heeft daarnaast een verbrandingsmotor nodig. Deze helpt de elektromotor op momenten, dat deze het even niet alleen aankan.

 

AUTO MET PARALLEL-HYBRIDE-AANDRIJVING

Hybride-auto die wordt aangedreven door een elektromotor en een  parallel daaraan gemonteerde verbrandingsmotor. Alleen as de accu’s leeg raken of als er meer aandrijfkracht nodig is, wordt de verbrandingsmotor bijgeschakeld.

 

AUTO MET SERIE-HYBRIDE-AANDRIJVING

Hybride-auto die ‘in serie’ worden aangedreven door een elektromotor in combinatie met een verbrandingsmotor. De verbrandingsmotor kan dus nooit in zijn eentje voor de aandrijving zorgen. Hij kan alleen indirect van nut zijn door leeg rakende batterijen op te laden.

 

AUTOBUS

Bedrijfswagen, bedoeld voor het vervoer van minimaal acht personen (de bestuurder niet meegerekend).

 

AUTODEMONTAGEBEDRIJF

Bij autodemontagebedrijven worden uit autowrakken recyclebare onderdelen gehaald, nadat milieugevaarlijke vloeistoffen en recyclebare stoffen zijn verwijderd.

 

AUTODICHTHEID

Aantal in een land of streek geregistreerde auto’s. De autodichtheid wordt gemeten in aantal auto’s per 1000 inwoners.

 

AUTOFABRIKANT

Ontwerpt en fabriceert auto’s. Een nieuwe auto bereikt de klant via de gebruikelijke weg autofabrikant – auto-importeurdealer – klant.

 

AUTOGAS

Gasvormige brandstof (ook bekend als LPG) die na destillatie uit aardolie vrijkomt en door drukverhoging vloeibaar wordt. Is nu een normale motorbrandstof. Ook wel LPG genoemd.

 

AUTOGASSYSTEEM

Benzinemotoren kunnen vaak naar autogas worden omgebouwd. Soms hebben nieuwe auto’s een volledig autogassysteem.

 

AUTOGEENLASSEN

Lassen met acetyleengas en zuurstof. Met de vlam worden te verbinden delen op temperatuur gebracht en door middel van lasdraad in een smeltbad verbonden.

 

AUTOMATISCH

Zonder enige inbreng van buitenaf.

 

AUTOMATISCHE CHOKE

Choke die reageert op een in de koelvloeistof geplaatste temperatuursensor.

 

AUTOMATISCHE KOPPELING

Hiermee hoeft de bestuurder niet meer te ontkoppelen, maar hij moet – anders dan bij een automatische transmissie – nog wel schakelen.

 

AUTOMATISCHE LASTAFHANKELIJKE REMKRACHTREGELAAR

Deel van het luchtdrukremsysteem dat voorkomt dat een bedrijfswagen al remmend ‘duikt’ waardoor de achterwielen blokkeren.

 

AUTOMATISCHE TRANSMISSIE

Hierbij hoeft de bestuurder niet meer te schakelen of te ontkoppelen. Het koppelingspedaal is overbodig geworden en dus niet aanwezig.

 

AUTOMATISCHE-TRANSMISSIEVLOEISTOF

Combinatie van een smeermiddel en een koelmiddel voor gebruik in koppelomvormers van automatische transmissies.

 

AUTOMERK

De allereerste auto’s werden één voor één gebouwd in kleine werkplaatsen of schuren, ongeveer op de wijze waarop tegenwoordig eigenaren hun kit cars zelf in elkaar zetten.  Bij een automerk moet er sprake zijn van een zekere serieproductie in een fabriek.

 

AUTOMOBIEL

Flauwekul-woord, bedacht eind negentiende eeuw. Het is samengesteld uit zowel het oud-Grieks (‘autos’ = zelf) als het Latijn (‘mobilis’ = in beweging zijnde).

 

AUTOMOBIELCLUB

Ieder land heeft een automobielclub, die de belangen van zowel automobilisten als vaak ook autosportbeoefenaars behartigt. In Nederland is dat officieel de KNAC. Daarnaast zijn er vaak andere instanties zoals in Nederland de ANWB en de BOVAG met hun eigen specifieke doelgroepen.

 

AUTONOME AUTO

Auto die volkomen autonoom aan het verkeer kan deelnemen. Met dit soort voertuigen zijn al vele succesvolle tests afgelegd. Vanzelfsprekend zal het nog geruime tijd duren, voordat ze in de dagelijkse praktijk gebruikt zullen mogen worden.

 

AUTONOOM

Onafhankelijk optredend, zonder menselijke inbreng. Veel elektronische systemen worden autonoom genoemd om aan te geven, dat ze automatisch werken.

 

AUX-IN

Ingang van een audio-apparaat voor de aansluiting van een extern apparaat, zoals bijvoorbeeld een MP3-speler op een autoradio.

 

AXIAAL

In de richting van de hartlijn (en dus loodrecht op de breedte-as) van een constructie.

 

AXIAAL HOOFDLAGER

De krukas wordt in radiale (zijwaartse) richting ondersteund door de hoofdlagers. Een apart axiaal hoofdlager sluit de krukas in lengterichting op.

 

AXIAAL KRUKASLAGER

Axiaal hoofdlager.

 

AXIAALDRUK

Druk in lengterichting.

 

AXIAALKRACHT

Axiaal op de lengte-as van een constructie werkende kracht. Een axiaalkracht is dus een kracht in lengterichting.

 

AXIAALLAGER

Lager, dat een as in axiale richting of lengterichting opsluit.

 

AXIALE SPELING

Eindspeling.